DE AFSCHEIDING TE HEEMSE e.o.
AAN DE HAND VAN
EENIGE OFFICIEELE STUKKEN
DOOR
H. U. BOUWMAN
___
[1938]
L. S.
Bij de ordening en beschrijving van het Archief van de gemeente Ambt-Hardenberg in 1934 en volgende jaren vond ik verschillende documenten en brieven die betrekking hadden op de toestanden en gebeurtenissen van een eeuw geleden, gebeurtenissen die gedurende een gansche reeks van jaren de Kerk en ons vaderland in beroering hebben gebracht.
Daar ik zelf ten hoogste belang stel in de geschiedenis van de Afscheiding, heb ik gemeend deze stukken aan de vergetelheid en in de letterlijke zin van het woord "aan het stof te moeten ontrukken", en ik besloot eenige artikelen te schrijven over "De Afscheiding te Heemse en omgeving" aan de hand van de gevonden stukken.
De Firma C. Molenaar & Co. te Nijverdal, uitgeefster van het Geref. Kerkblad voor Drente en Overijsel, verleende eerst haar medewerking voor de plaatsing van deze artikelen, en vervolgens gaf zij hieraan een meer blijvende vorm door een aantal afdrukken in boekvorm uit te geven.
Hiervoor zeg ik haar hartelijk dank.
Behalve over het Gemeente-archief had ik de beschikking over het Archief van de Gereformeerde Kerk van Heemse. Voorts mocht ik inzage nemen van het Archief van de Nederlandsche Hervormde Gemeente aldaar en van het Provinciaal Archief te Zwolle.
In een tijd, waarin, met name in het buitenland, over het wezen der Kerk zoo verschillend wordt gedacht en men over de plaats die de Kerk toekomt in en tegenover de Staat zooveel strijd voert, is het stellig van belang kennis te nemen van de worstelingen die een klein groepje eenvoudige, maar vastberaden mannen en vrouwen, onder Gods zegen, heeft geworsteld om weder te komen tot de vrijheid van geweten, van godsdienst(oefening) en van onderwijs, waardoor we thans in ons vaderland nog kunnen spreken van een "vrije" Kerk in een "vrije" Staat.
H. U. BOUWMAN.
Heemse, 21 juli 1938.
I.
Omstreeks 1830 behoorden de inwoners van de gemeenten Stad- en Ambt-Hardenberg kerkelijk tot de Kerk van Hardenberg, voor wat betreft het grondgebied van de gemeenten Stad- en Ambt-Hardenberg beoosten de rivier de Vecht en ten Noorden van de Reest; tot de Kerk van Heemse, voor wat betreft Ambt-Hardenberg ten Zuiden van dit riviertje en ten Westen van de Vecht.
Lubbertus Bosch was predikant te Hardenberg, Hendrik Wineke te Heemse.
De Burgemeester van Ambt-Hardenberg, de heer Antoni van Riemsdij!k (Maire en Burgemeester van 1811-1840) schrijft in het Verslag van den staat der gemeente in 1830, d.d. 13 May 1831:
"zijnde wel enkele dissentiërende Individu's, doch geene dissentiërende Kerk Gemeentens in deze burgerlijke Gemeente gevestigd" en verder aangaande de "invloed derzelve" predikanten "op de meer verlichte denkwijze der Gemeente":
"Het kan niet missen, dat niet de meer verlichte Denkwijze der opgemelde Heeren L. Bosch en H. Wineke beide van gunstigen Invloed op de denkwijze der Gemeente, ofschoon door hare Situatie op de Grenzen van Duitschland soms noch aan de aldaar heerschende meer donkere Stellingen en eenige Vooroordelen gehecht zij;
speciaal echter geld dit opzichtens den eerstgenoemden derzelve, als meer algemeen in den zijnen gezien."
Van de toestand der Kerken wordt gezegd:
"De Kerk van Heemse (de eenige ter dezer Gemeente) is in redelijken Toestand, edoch klein genoeg en zoude, zo even vlijitig als die der Stad Hardenbergh bezogt wierde, zeker even als deze, veel te klein zijn."
Ook in 1836 was dit nog zoo. Waar een gedeelte van de leden van de Kerk van Heemse toen 's Zondags onder kerktijd was, blijkt uit het volgende:
Op Zaterdag 6 Februari 1836 ontvangt de Burgemeester van het Ambt Hardenbergh van ds. H. Wineke bericht,
"dat op onderscheidene Zondagen onder zijne gewoone Predikuren ten huize van den Landbouwer Derk Plasman te Collendoorner-veen, behorende tot zijne kerkelijke en burgerlijke Gemeente, door zekeren Albert Jacobs Klunder (in de Wandeling Albert Lap geheeten), Arbeider, wonende te Rheezerveen in deze burgerlijke Gemeente, doch onder het Ressort der nieuwe kerkelijke aan de Dedemsvaart" (gesticht op 23 Maart 1834 o. a. uit een stuk van de Kerk van Heemse - hetzelfde stuk dat 2 jaar later burgerlijk aan de gemeente Avereest overging -) "zogenaamde (Godsdienstige) Oefeningen werden gehouden."
Blijkbaar kon men zich ook in de omgeving van Heemse niet vinden onder de "verlichte" prediking van een lieven Jezus en een braven zondaar, maar dorstte men naar het levende Woord van God. En als de herder het spoor bijster is, dan laten de schapen hun leidsman in de steek en zoeken zij zelf de oude beproefde paden terug.
Men hield daarom godsdienstige bijeenkomsten bij een der deelnemers, waarin dan de een of ander voorging en uit een godsdienstig boek (allicht een oude schrijver of een preekenboek) voorlas.
Evenwel was het houden van deze vergaderingen aan Ds. Wineke niet ontgaan. Daarom bericht hij ook aan den Burgemeester, dat godsdienstige oefeningen, "bedoeld bij Art. 14 van het Reglement op het Godsdienatig Onderwij's in de Nederlandsche Hervormde Kerk,.) goedgekeurd bij Zijner Majesteits Besluit van den 30en Julij 1816, No. 1, werden gehouden, waartoe de bedoelde Klunder, ingevolge Art. 9 en 10 van hetzelve onbevoegd en daartoe daarenboven zijne uitdrukkelijke toestemming missende met verzoek van hiertegen, tengevolge der Circulaire Aanschrijving van Uw Excellentie's Praedecesseur in het Gouvernement der Provincie van den 30en Mei 1828, Ie Div., No. 8, waarvan door mij, ten gevolge derzelve, op den 3en junij aanvolgende aan zijn Eerwaarde een Exemplaar ter hand gesteld, wel te willen helpen waken."
Art. 14 van bovengenoemd Reglement luidt: "Ook de zoogenaamde oefeningen zullen niet mogen gehouden worden, dan door de bevorens gemelde personen, en alleenlijk in de gemeente, tot welke zij behooren" (genoemde Klunder behoorde echter kerkelijk onder de nieuwe kerkelijke gemeente aan de Dedemsvaart) "na daar en boven de uitdrukkelijke toestemming van den leeraar of de leeraren dier gemeente" (in dit geval van Ds. Wineke van Heemse) "daartoe bekomen te hebben."
Ds. Wineke riep de hulp in van den Burgemeester op grond van genoemde Circulaire van den Gouverneur van Overijssel Bentinck van 30 Mei 1828, Ie Div., No. 8, aan de respective Gemeente Besturen in de Provincie Overijssel, welke circulaire luidt als volgt:
"De GOUVERNEUR van de PROVINCIE OVERIJSSEL,
onderrigt zijnde, dat van tijd tot tijd, in enkele Gemeenten, klachten ontstaan, over het houden van zoogenaamde oefeningen door onbevoegde personen, welke handelingen tot dweepzucht en onzedelijkheid kunnen aanleiding geven, ja soms zwakke zielen tot moedeloosheid en zelfs tot waanzin hebben gebragt, en dienaangaande geraadpleegd hebbende met het Provinciale Kerkbestuur;
vind goed: achtervolgens het advijs van hetzelve Kerkbestuur, aan alle de Leeraren der Gereformeerde Kerken in deze Provincie met nadruk aan te bevelen, om een waakzaam oog te houden en zorg te dragen, dat in hunne respective Gemeenten, de uitdrukkelijke bepalingen, vervat in art. 9, 10, 13, 14 en 15 van het Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde Kerk, goedgekeurd bij Zijner Majesteits Besluit van den 30 Julij 1816, No. 1, stiptelijk worden gehandhaafd, en te dien einde het Bestuur der Burgerlijke Gemeente van de overtredingen daartegen des noods kennis te geven, met vermelding van de bereids genomene maatregelen tot wering van die overtredingen.
Wordende de Burgerlijke Besturen tevens aangeschreven, om van hunne zijde mede daaromtrent een waakzaam toezicht te houden, en van alle zoodanige overtredingen, als ter hunner kennis gebragt worden, of zij anders zullen ontwaren, dadelijk aan den Gouverneur omstandig berigt in te zenden, om naar bevind van zaken dienaangaande te worden voorzien.
De nodige exemplaren dezer dispositie te doen toekomen aan ieder der Gemeente Besturen in deze Provincie, met last, om aan ieder der Leeraren van de Hervormde Kerk in hunne respective Gemeenten een Exemplaar ter hand te stellen, tot derzelver informatie en narigt; alsmede twee exemplaren dezer dispositie te doen toekomen aan het Provinciaal Kerkbestuur, om te strekken tot informatie."
____
*) REGLEMENT op het godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde Kerk.
Artikel 9.
Daar het godsdienstig onderwijs een van de eerste en voornaamste pligten is der herders en leeraars, zijn dezelve gehouden, op de vermeerdering van hunne gemeenten met kundige en waardige leden zich met alle zorg toe te leggen; en alles aan te wenden, dat, het zij door hen zelven, het zij door anderen, onder den titel van Katechizeermeesters en Katechizeermeesteressen, het noodige onderwijs, op bekwamen leeftijd, of naar gelang van ieders toestand en ouderdom, worde medegedeeld.
Art. 10.
Ook kandidaten en geordende leeraars buiten vaste bediening kunnen dit werk mits onder het gewone toezigt, mede verrigten.
Art. 13.
In de Hervormde Kerk zullen buiten de leeraren geene andere godsdienstigre onderwijzers erkend zijn, dan de gene die in art. 9 en 10 genoemd zijn.
Art. 14.
Ook de zoogenaamde oefeningen zullen niet mogen gehouden worden, dan door de bevorens gemelde personen, en alleenlijk in de gemeente, tot welke zij behooren, na daar en boven de uitdrukkelijke toestemming van den leeraar of de leeraren dier gemeente daartoe bekomen te hebben.
Art. 15.
De overtreding van het bovenstaande artikel en de wanorde daaruit ontstaande is, naar bevind van zaken, aan kerkelij!ke correctie of censure onderworpen; en zal, des noods, aan het burgerlijk bestuur worden te kennen gegeven.
____
II.
Mededeelingen aan den Gouverneur van Overijssel over "Zogenaamde (Godsdienstige) Oefeningen, zullende vallen in de Termen van Art. 14 van het Reglement op het Godsdienstig Onderwijs in de Nederlandsche Hervormde Kerk, goedgekeurd bij Z. M. Besluit van d. 30 Julij 1816, No. 1."
Toen Ds. Wineke van Heemse den Burgemeester opmerkzaam had gemaakt op het houden van Godsdienstige Oefeningen in zijn gemeente, zag hij zich verplicht maatregelen te nemen en begon hij met een onderzoek in te stellen naar de aard van die bijeenkomsten.
Het resultaat van dit onderzoek zien we samengevat in zijn bovengenoemd schrijven van "den 8en Februarij 1836, no. 65,
Aan Z.E. den Heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle", waar hij vervolgt:
"Zo heb ik dan op gisteren morgen ten 10 Uren, en alzo onder het gewone morgen-Predikuur van denzelven Heer Predikant, naar het Collendoorner-veen voorzeid afgezonden gehad de Dienaar van Policie en Veldwachter der Gemeente D. J. Jansen, ten einde nategaan of de meergemelde Klunder aldaat ten huize van gezegde D. Plasman wederom Oefening was houdende; en heeft, de gezegde Beambte, geene bedoelde Oefeninghouding ten huize van denzelven te werk bevindende, bij het zien ingaan van onderscheidene Personen ten huize van dezes Buurman Gerhardus Schrotenboer, ook Landbouwer aldaar, zich aan hetzelve vervoegd en aldaar in de Keuken vergaderd gevonden, behalven dezelve Oerhardus Sc,hrotenboer en dezes Huisvrouwe, Egbert Dunnewind, School-Onderwijzer in de lagere School te Rheeze ter Gemeente, de Huisvrouwe van GERHARDUS VEURlNK en dezer beide Zoonen Hendrik en Derk Veurink, ook Landbouwers aldaar, Zwaantjen Slot, Huisvrouw van Gerrit Jentink, Landbouwer te Brucht, Gerrit Schrotenboer en dezes Huisvrouwe, Landbouwers te Collendoorner-veen voorzeid en der laatste Vader, te huis horende te Vriesenveen, Lucas Hilberink, Boerenknecht te Heemserveen, Johannes Schrotenboer, Landbouwer te Collendoorner-veen meergedagt, zekere Marten Jansen uit Ane in de Gemeente Gramsbergen, Gerrit Jan Bril en de Weduwe Bekman, Landbouwers te Rheeze voorschreeven, Jan Herm Welleweerd, Landbouwer te Ane voorzeid, Hendrik Doezeman, Landbouwer te Collendoorner-veen meergenoemd, Hendrikus Moddejonge, Boerenknecht te Rheeze voorschreeven en één der zonen van de Weduwe Derk Bril, Landbouwersche te Collendoorn, te zamen uitmakende een getal van 19 Personen, aan welke de gemelde School-Onderwijzer in de lagere School te Rheeze Egbert Dunnewind dan in de eerste plaats heeft opgegeven te zingen en met hun gezongen de 1e en 2e Verssen van den 68en der Psalmen Davids, vervolgens een opentlijk Gebed gedaan, wijders eene Voorlezing aan de Vergadering uit een godsdienstig Boek gehouden, en toen door dezelve wederom laten zingen en met haar gezongen de 11e en nog een paar volgende Verssen van gezegden Psalm; zijnde, daarop na het houden eener Collecte in eene tinnen Schotel door een der Vergaderden, dien zich echter niet kenbaar weet te herinneren, vermits zich inmiddels met het noteeren van de Naamen der aanwezigen bezig hield, de vergaderden gescheiden; gaande het meerendeel derzelve daarop heen, doch blijvende eenige, waaronder de Voorlezer en de opgegevene Huisvrouwe van Gt Jentink voormeld nog bij de Huisgenoten en zich met dezelve bij zijn Vertrek om den Haard schikkende.
Daar nu onder de Kerk-Gemeenten van Heemse, evenals in die van Hardenbergh, ook grotendeels tot deze burgerlijke Gemeente gehorende, bekendelijk even ongelukkige Scheuringen als onder de naburige Kerk-Gemeente van Ommen, ofschoon gelukkig nog in veel geringe maate, plaats vinden ten gevolge van aankleving der bekende duistere Gevoelens van de in de Prov. Groningen en Noordbraband geremoveerde 1) Predikanten Cock en Scholte en deze Gevoelens pligtmatig worden tegengegaan en door den Heer Predikant L. Bosch te Hardenbergh en door den Heer H. Wineke te Heemse voormeld, en mijne burgerlijke medewerking ten dezen door laatstgemelden uitd:rukkelijk, op grond der voormelde Circulaire Aanschrijving van d. 30en Mei 1828, omtrent de Wering van elke zodanige Godsdienstige Oefening door daartoe niet Gekwalificeerden en buiten zijne uitdrukkelijke toestemming, wordt ingeroepen, zo haaste ik mij Uw Excellentie, ten gevolge derzelve, van hetgeen voorschreeven dit tegenswoordig omstandig Berigt intezenden met imploratie 2) van Deszelfs Welmeenen hoe ten dezen verder op rekwisitie 3) van voornoemden Heer of Heeren voortaan te handelen: - speciaal ook bij de Omstandigheid, dat soms in de volgende Week zich te Rheeze voorschreeven in de Gemeente mogt komen vervoegen de Heer Brummelenkamp, gewezen Predikant te Hattem, om aldaar eene zodane Godsdienstige Oefening te houden en bij gelegendheid derzelve de Jongstgeborene Kinderen te dopen van voornoemden Egbert Dunnewind a1daar en van Jan Herm Welleweerd te Ane voorschreeven; welke Komste mij als ontwijfelbaar zeker door den Heer Predikant Wineke te Heemse heden morgen is aangekondigd en ook nog zo straks sedert, als stellig, ter Secretarie der Gemeente werdt verzekerd door de Bouwman Jan Koerts B.Zoon uit Rheeze.
Verblijvende hiertoe onderdanigst."
Terstond werd de Officier bij de Rechtbank te Deventer geraadpleegd of de gemelde Oefeningen ook strafbaar waren volgens de wet,
"of en in hoeverre deze oefeningen ook waren te rangschikken onder de ongeoorloofde Associatien of Vereenigingen, en of er dus Proces-verbaal van behoorde opgemaakt te worden; of deze oefeningen alleen in strijd waren met de kerkelijke wetten en zoo ja, of er dan ook Procesverbaal van behoorde opgemaakt te worden en aan Zijn EdelGestrenge ingezonden."
Tevens werd, op aanraden van den Officier, de Schoolopziener te Ommen door den Burgemeester ingelicht over den onderwijzer E. Dunnewind en hem medegedeeld hoe deze "zich als Hoofdleider of Bestierder kwam voordoen "van "eene Godsdienstige Vereeniging van 19 Personen" op 7 Februari l.l. en hoe het verloop van die vergadering was. 4)
De Officier achtte bovengenoemde vergaderingen ook strijdig met de Wet, wanneer zij waren samengesteld uit meer dan 20 personen en op gezette of bepaalde .tijden gehouden werden. Overtredingen van kerkelijke wetten behoorden ter kennis van de respective Kerkbesturen te worden gebracht.
___
1) verwijderde.
2) onderdanig verzoek.
3) vordering.
4) De onderwijzer Dunnewind moest 21 April voor den Gouverneur in Zwolle verschijnen ten einde over tegen hem ingebrachte klachten te worden gehoord.
III
19 April 1836.
De Burgemeester ontbindt een vergadering van Afgescheidenen.
Het duurde echter nog ruim twee maanden voor de door Ds. Wineke verwachte vergadering werd gehouden.
Op Dinsdag 19 April 1836, 's morgens om 8 uur eerst, ontving de Burgemeester, die in de stad Hardenberg woonde, bericht dat er wederom een verboden godsdienstoefening zou worden gehouden, en wel te Rheeze bij den Schoolonderwijzer Egbert Dunnewind "onder de leiding van den Heer Antoni Brummelkamp, gewezen Leeraar bij de Hervormden te Hattem in de Provincie Gelderland".
Hij liet terstond het rijtuig aanspannen en trok met een Assessor 1) van de gemeente en een klerk van de secl1etarie naar Rheeze. Den gemeente-veldwachter had de Burgemeester reeds vooruitgewnden. Hij legde zijn wedervaren aldaar vast in een Proces-verbaal dat hij ten huize van Dunnewind in gereedheid bracht en met een begeleidend schrijven aan den Officier bij de Rechtbank te Deventer en in afschrift aan den Gouverneur van Overijssel verzond. Het Proces-verbaal luidt als volgt:
Voor de Justitie. Afschrift.
"Op heden, den 19en April 1836, des Morgens 8 Uren, heb ik ondergetekende, Burgemeester der Gemeente het Ambt Hardenbergh, Kwartier van Salland, Provincie Overijssel, mij begeven naar de Buurtschap Rheeze in dezelve en aldaar omstreeks 9 Uren aankomende bij de woning van Egbert Dunnewind, School-Onderwijzer aldaar, zo heb ik voor de Voordeur derzelve eene groote Verzameling van Menschen van beiderlei Geslacht en van onderscheidene Jaren vergaderd gevonden, waarvan een aantal met ongedekten Hoofde en met kracht deel nemende aan een binnens-Huis gehouden wordend Gezang, waarvan de Toonen reeds bij onze nadering tot de Buurtschap werden gehoord en welke Omstandigheid Ons al dadelijk verzekerde van hetgeen er binnen 's Huis plaats vond.
Mij daarop dadelijk uit mijn Rijtuig begevende ben ik met den Heer J. Odink Dzn., Assessor bij het Bestuur der Gemeente, en een mijner Klerken, B. Nijzink, die mij vergezelden, zonder eenigen wederstand door de gezegde buiten 's Huis vergaderde en gedeeltelijk bloothoofds met geopende Kerkboeken in hunne handen zingende Menigte doorgedrongen naar de gezegde Huisdeur en dezelve ook zonder eenigen Wederstand geopend hebbende, in de Keuken der gezegde Woning van voornoemden Egbert Dunnewind op gelijke wijze zingende vergaderd gevonden, behalven voornoemden Egbert Dunnewind en zijne Huisvrouwe Evertjen Hannink, den Heer Antoni Brummelkamp, laatstelijk Praedikant bij de Gemeente der Hervormden te Hattem, Provincie Gelderland, Gerrit Schrotenboer en dezes Huisvrouwe Sophia Charlotte Resink, landbouwers, wonende te Collendoorner-veen in de Gemeente, Gerhardus Schrotenboer, landbouwer aldaar, Egbert Kolkman, landbouwer te Diffelen, Derk Jan Waterink, Landbouwer te Heemse, Lucas Hilberink, Boerenknecht, wonende te Heemserveen, Jan Stoeten, Senior, landbouwer te Rheeze, Gerhardus Veurink, ook landbouwer aldaar, Hendrik Veurink en dezes Huisvrouwe Jennegien Waterink, almede Landbouwers aldaar, Alberdina Hendriks,Weduwe Gerrit Bekman, mede landbouwersche aldaar, Hendrikjen Dunnewind, Huisvrouwe van Jan Stegeman, Wolters Zoon, insgelijks landbouwersche en wonende te Brucht, Jan Herm Welleweerd en vrouwe Dina Meijerink, landbouwers te Ane in de Gemeente Gramsbergen dezes Kantons en Hendrik Brinkhuis en vrouwe Hendrikjen Meijerink, landbouwers te Stegeren in de Gemeente het Ambt Ommen, waarvan de genoemde Evertjen Hannink, Huisvrouwe van Egbert Dunnewind, Jennegien Waterink, Huisvrouwe van Hendrik Veurink, Dina Meijerink, Huisvrouwe van Jan Herm Welleweerd, en Hendrikjen Meijerink, Huisvrouwe van Hendrik Brinkhuis, ieder een zogend kind aan hunne Borsten waren hebbende.
Na een wijle verpozens onder het voortduren van het opgemelde Gezang, waaraan door de nu door mij geopende Deur des Huizes konde zien dat bij voortduring bleeven deel nemen onderscheidene van de zich buiten de Woning bevindende hierna te noemene Personen, gezegden Heer Brummelkamp toespreekende en denzelven naar des zelfs Naam en Doel der betrokkene Vergadering vragende, zo heeft dezelve zich alzo aan mij kenbaar gemaakt en voorts te kennen gegeven, dat het doel der Vergadering was om als Afgescheidenen van het bestaand Hervorrmd Kerkgenootschap in dit Rijk eene Godsdienstige Bijeenkomst te houden en in dezelve overtegaan tot de Bediening van den Heiligen Doop aan vorengedachte Zuigelingen, mitsgaders de bevestiging van Ouderlingen en Diaconen onder dezelve Afgescheidenen ter dezer Gemeente.
Hierop den gezegden Heer Brummelkamp te kennen gegeven hebbende, dat hunne Vergadering gesterkt door het aantal van Deelhebbenden of Deelnemers buiten 's Huis als voorzeid, en hier natenoemen en derzelver verrichtingen ter dezer Gemeente niet kon worden toegelaten als in Strijd met de bepalingen bij Art. 291 van het bestaande Wetboek van Strafregt, zo heb ik dan dezelve zonder eenigen Wederstand ontbonden en op de Vraag van den Heer Brummelkamp, die verklaarde ten dezen te zullen te obtempereeren 2) en zich hoegenaamd niet tegens mij in mijne Kwaliteit der Gemeente te willen verzetten, of het hem niet zoude geoorloofd zijn de Bijeenkomst in de Woning van een of ander ander Ingezeten der Buurtschap te hervatten ten einde tot de voorgezegde Doops-bediening en bevestiging van Ouderlingen en Diaconen overtegaan en hiertoe dan ook door mij de Concessie 3) geweigerd zijnde, zo heeft dezelve daarop aan de met hem, zo in als buiten de Woning vergaderden (aan deze laatsten door het Vengsterraam) te kennen gegeven, dat hunne vergadering noch ten Huize van meergenoemden Egbert Dunnewind, noch elders zoude worden voortgezet en dat alzo een ieder maar moeste heengaan: verklarende voorts daarbij aan mij van Ommen te zijn komende, voornemens te zijn naar de Gemeente den Ham te vertrekken, en wezende wel voornemens geweest alhier eene openbare Prediking te houden, doch had zulks voor eene zo kleine vergaderde menigte niet voegzaam kunnen doen, terwijl de Huisbaas Egbert Dunnewind zwarigheid had gemaakt voor dezelve meerdere Personen in zijn Huis te admitteren; 4) - voorts mij verzekerende, dat ten gevolge mijner Interdictie 5) ten dezen geen verder gevolg zoude worden gegeven aan de onderwerpelijke Godsdienst-oefening en de daarbij voorgenomene Godsdienstige Uitvoeringen voormeld.
En zijn dan alzo als buiten 's Huis en voor de door mij geopende en opengeblevene Deur van hetzelve zingende of als aandagtig betragtende Deelnemeren der onderwerpelijke vergadering door mij, of door den Heer Assessor J. Odink, D.z., mijnen genoemden Klerk B. Nijzink en den ter mijner adsistentie, zo nodig, mede naar Rheeze gerichtten Dienaar van Policie en Veldwachter der Gemeente Derk Jan Jansen, te zamen, of ieder afzonderlijk bevonden Jan Hendrik Toeslag, Kleermaker te Heemse, Gerrit Doezeman, landbouwer te Rheeze, Gerrit IJzebrink, landbouwer te Heemse, Wolter Stegeman, ook landbouwer aldaar, Gerrit Ballast en vrouwe Zwaantjen Koerts, Landbouwers te Collendoorner-veen, Jan Odink, Junior, landbouwer te Collendoorn, Jan Herm Gogh en Vrouwe Maria Pullen, Landbouwers aldaar, Herm Jan Hamhuis, landbouwers te Collendoorner-veen, Gerrit Jan Lamberink en vrouwe Evertjen Veurink, landbouwers te Heemserveen, Derk Plasman, Landbouwer te Collendoorner-veen, Hillechien Wijgmink, Weduwe Hannes Waterink, landbouwersche te Brucht, Zwaantjen Slot, Huisvrouw van Gerrit Jentingen, landbouwersche aldaar, Fennegien Lamberink, Huisvrouwe van Willem Meijerink, landbouwersche te Hardenbergh, Gerrit Breukelman en vrouwe Jennegien Jansen, Kleermaker te Heemse, Hendrik Nijmeijer, landbouwer te Diffelen, Jannes Schrotenboer, landbouwer te Lutten, Johannes Schrotenboer, Landbouwer te Collendoornerveen, Hendrik Lenters, Derks Zoon, en vrouwe Berendina Scholten, Landbouwers te Heemserveen, Jan Hilberink, Landbouwer te Diffelen, Hendrik Rehorst, Mars-kramer te Lutten, Albert Mulder, Arbeider aan de Dedemsvaart onder Heemserveen, Gerrit Jan Bossink, Landbouwer te Collendoorn, Albert Tangenberg, Linnenwever te Lutten, Mannes Schrotenboer en vrouwe Hendrika Holleboom, Landbouwers te Heemse, Hendrik Doezeman, Landbouwer te Collendoorner-veen, Albert Hulzebosch, Landbouwer aldaar, Jan Bril, Schaapherder aldaar, Albert Bekman, Landbouwer te Rheeze, Willem Bekman, ook Landbouwer aldaar, Albert Nijeboer, Landbouwer te Lutten, Jan Hendrik Slotman, Landbouwer te Collendoorn, Herm Kok, Landbouwer te Brucht, Jan Stegeman, Wolters Zoon, Landbouwer aldaar, Steven Santman, Landbouwer te Rheeze, Gesina Schrotenboer, Huisvrouwe van Hermannus Lenters, Landbouwer te Heemserveen, Gerrit Jan Wesselink, Kleermaker te Heemse en Hendrik Edelijn, zonder speciaal Beroep ter Steede Hardenbergh.
En heeft eindelijk zich nog van uit een zijvertrek van het Woonhuis van meergemelden Egbert Dunnewind in de Keuken van hetzelve alwaar de onderwerpelijke Godsdienstige Bijeenkomst of Vergadering was gehouden, na derzelver Scheiding, in dezelve vervoegd, na aan mij vooraf gedane Aanvrage of binnen dezelve mogte komen, zekeren door den Heer Brummelkamp als Ouderling betijteld en met den Naam van Gerrit Geerlings 6) genoemd wordenden Persoon uit Hattem voormeld, die mij, op het bemerken dat ook in het onderwerpelijke Procesverbaal stond opgenomen te worden, geweigerd heeft zijn beroep optegeven en daarop dadelijk weer is gegaan van werwaarts gekomen was.
En heb ik Burgemeester voornoemd van al hetgeen voorschreeven vorenstaande Procesverbaal, ten bijwezen van meergemelden Heer Assessor bij het Bestuur der Gemeente J. Odink, D. Z., van mijnen meergedagten Klerk B. Nijzink en van den voorzeiden Dienaar van Policie en Veldwachter der Gemeente D. J. Jansen, ingevolge Aanschrijving van Z. E., den Heer Gouverneur der Provincie van d. 6en dezer, Kabinet No. 127, opgemaakt en, na voorlezing, met dezelve getekend ten Huize van meergenoemd en Egbert Dunnewind, School-Onderwijzer, te Rheeze ten jaare, Dage als boven.
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh,
(getekend) ANT. VAN RIEMSDIJK.
J. ODINK, D. Z., Assr.
B. NIJZINK.
D. J. JANSEN.
Voor eensluidend Afschrift.
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh,
(w. g.) ANT. VAN RIEMSDIJK.
___
1) Wethouder.
2) Gehoorzamen.
3) Toestemming.
4) Toelaten.
5) Nadrukkelijk verbod.
6) Gerrit Geerlings was vóór de Afscheiding Diaken bij de Hervormde Kerk te Hattem en was de eenige persoon uit de Kerkeraad, die zich met Ds. Brummelkamp bij de Afgescheidenen aansloot. Hij vergezelde hier Ds. Brummelkamp blijkbaar op zijn reizen.
We vinden hier verder de namen van 16 personen (behalve het echtpaar Dunnewind en Ds. Brummelkamp), die zich binnenshuis, van 43 die zich buitenshuis bevonden.
IV.
19 April 1836.
De Burgemeester onltbindt een vergadering van Afgescheidenen.
(Vervolg.)
Nadat de Burgemeester ten huize van Dunnewind in Rheeze een proces-verbaal had opgemaakt yan de aldaar juist gehouden en door hem zelf ontbonden godsdienstoefening van Afgescheidenen, (doordat hij nog gedurende eenige tijd in Rheeze bleef, kon hij er zich tevens van overtuigen dat een ieder zijns weegs ging), verzond hij nog het volgende schrijven 2) aan den Gouverneur van Overijssel:
"Ik heb de Eer Uw Excellentie bij deze te doen toekomen eene Afschrifte van een op heden bij mij, ten gevolge van Deszelfs Aanschrijving van den 6en dezer, Kabinet nr. 127, opgemaakt Procesverbaal ter zake van eene op heden ter Buurtschap Rheeze in de Gemeente voorgevondene Vereeniging tot het houden van Godsdienst-Oefening ten huize van den Schoolonderwijzer Egbert Dunnewind aldaar onder de leiding van den Heer Antoni Brummelkamp, gewezen Leeraar bij de Hervormden te Hattem in de Provincie Gelderland; waaruit het Doel en resultaat van dezelve Oefening te erzien, en waartoe alzo ten dezen eerbiedige relatie, even als tot het mede hierbijgaand Afschrift mijner Missive dd. heden, No. 170, aan den Heer Officier bij de Regtbank te Deventer met betrekking tot het tegenwoordige Onderwerp, en waarbij hetzelve Procesverbaal in originali aan denzelven Heer heb ingezonden.
Ik ben buiten staat geweest Uw Excellentie van het bevoorstaande houden der onderwerpelijke Godsdienst-Oefening eenige voorloopige kennis te geven als daaromtrent eerst heden morgen ten 8 Uren onderrigt; zijnde het overigens allezints wel te beseffen, dat inval van herhaling deszelve met de Assistentie van eenen eenigen Dienaar van Policie en Veldwachter mij buiten staat zal bevinden dezelve, bij weerstand, te doen uiteengaan, waarvoor begin te vreezen bij de opheden mij niet onkenbaar geblevene Gevoelens van sommigen onder de Menigte, dat des noods alleen in burgerlijke Zaken, en geentsints in Godsdienstige, de over hun gestelde superieure Autoriteiten te obtempereeren 3) zouden hebben: voorziende nu intuschen, bij den plaats gehad hebbenden afloop van die van heden wel is waar geene spoedige Herhaling, ten ware dezelve mogt komen voorttespruiten uit den alnu niet plaats gehad hebbenden Kinderdoop en bevestiging van Ouderlingen en Diaconen bij de zich als Afgescheidenen van het Hervormd Kerkgenootschap in de Gemeente qualificerenden; welke dan ook, zo als sedert uit den Mond van meergenoemden Schoolonderwijzer E. Dunnewind ben komen te vernemen eerst dezen nacht per Expresse, uit Ommen afgezonden, zouden zijn geconvoceerd en wier talrijk bijeenzijn desniettemin verklaarde te moeten houden voor eene gunstige Beschikking der Voorzienigheid omtrent hunne Verrigtingen.
In eerbiedige afwachting van Uw Excellentie's welmeenen omtrent het door mij ten deze uitgevoerde, verblijve onderdanigst."
Het kasboek van 1836 van de Gereformeerde Kerk van Heemse noemt de vergadering van 19 April 1836:
"Eerste Stichting door Ds. A. Brummelkamp, doch vierhinderd."
Doordat de vergaderingen zoo kort van tevoren werden bijeengeroepen, werd te groote ruchtbaarheid voorkomen. Een bode werd dan, zooals hier in de vroege morgenuren, uitgezonden om de aanhangers bijeen te roepen, waarvoor hij ditmaal f 0.40 ontving. De voerman, die den dominee bracht, ontving f 2.50. Hoewel de vergadering zoo kort van tevoren was bijeengeroepen, kwam het den burgemeester te vroeg ter oore.
Hij kon nu tegenover den Gouverneur blijk geven van zijn ijver, terwijl hij zich ook aan de voorschriften met betrekking tot de Afgescheidenen had te houden.
Hierbij echter drukte hem één ding, n.l. de vrees, dat, bij een herhaling der samenkomsten, wanneer de menigte eens weerstand ging bieden, hij met een enkelen politiedienaar niet meer meester van het terrein zou kunnen blijven. Men had er immers van gesproken, dat men in godsdienstige zaken geenszins aan de burgerlijke overheid behoefde te gehoorzamen. Men had niet het minste begrip van gewetensvrijheid, waarvoor de vaderen twee eeuwen tevoren jaren lang hadden gestreden. Naar oud-liberale gedachtengang kon de overheid voor het geheele terrein des levens gehoorzaamheid eischen. Men begreep niet dat de Afgescheidenen het in de "Officieele Kerk" niet konden vinden, en dat het voor hen een conscientie-zaak was om God te dienen naar Zijn Woord.
En omdat men dit niet begreep, trachtte men hen, die geen genoegen wenschten te nemen met het eenheidsproduct van de Staat, en op eigen gelegenheid Gods Woord onderzochten, hierin te verhinderen en door eventueele straffen af te schrikken.
Helaas werden er maar al tè veel predikanten gevonden, die de bende aanvoerden en gangmakers waren tegen de Afgescheidenen, zooals ook in Heemse.
De Burgemeester maakte er hier dus een toespeling op, dat hij gaarne de hulp van de gewapende macht zou willen ontvangen, was het niet, dat hij de verwachting had, dat men voorloopig wel niet weer vergaderen zou.
___
2) van 19-4-1836, nr. 171.
3) gehoorzamen.
V.
18 Mei /836.
Institueering van de Gereformeerde Kerk van Heemse.
Evenwel werd reeds een maand later op 18 Mei 1836 een nieuwe vergadering gehouden, die zonder stoornis verliep. Het eerste kasboek van de Geveformeerde Kerk van Heemse teekent aan: "De Gemeente bevestigt door Ds. van Raalte." Deze was er voor overgekomen. Men kwam nu bijeen op een Woensdagmiddag. De vergadering vond plaats ten huize van den landbouwer Gerhardus Veurink op Rheezer Achteresch, op welke boerderij thans diens achterkleinzoon Evert Jan Veurink woont.
In deze godsdienstoefening werden de ambten ingesteld.
Als ouderlingen werden bevestigd:
Derk Jan Waterink, landbouwer te H'eemse, en
Egbert Dunnewind, schoolonderwijzer te Rheeze;
en als diaken werd bevestigd:
Gerhardus Schrotenboer, landbouwer te Collendoornerveen.
De tweede diaken, Egbert Kolkman, landbouwer te Diffelen, en veerman van het veer over de Vecht bij Diffelen, in de weg van Heemse naar Mariënberg, was door een misverstand afwezig en werd naderhand bevestigd.
Tevens werd een Notulenboek aangelegd, waarin op de eerste bladzijde geschreven staat:
"Handelingen
der Kerkenraad van de gemeente onzes Heeren Jezu Christi te
Heemse.
sedert de verwerping van het Nederlandsch Hervormd Kerkbestuur, als zijnde in Oorsprong en Werking tegen de Koninglijke Eer van Jezus Christus en strekkende tot ondermijning van de Leer der Zaligheid, in den jare 1816 buiten toestemming der Gemeente;
te 's Gravenhage opgerigt.
18 Meij 1836."
Vervolgens staat er in een:
Verbintenisakte
der Ouderlingen en DiakeNen der gemeente onzes Heeren Jezu Christi te Heemse.
Wij ondergeteekenden Ouderlingen en Diakenen der gemeente onzes Heeren Jezus Christi, verklaren bij dezen opregtelijk, en in goede conscientie, dat wij van harte gevoelen en gelooven, dat al de Artikelen en Stukken der Leer begrepen in de Belijdens des geloofs, den Catechismus en de Leerrgels der Synode van Dordrecht gehouden in 1618 en 1619 in alles met Gods Woord overeenkomen. Belovende wij derhalve als in tegenwoordigheid Gods, dat wij de voorzeide Leer naarstiglijk zullen leeren en handhaven verwerpende alle dwalingen die daartegen Strijden: biddende den Heere, dat Hij ons uit genade in alles Zijnen bekwaammakenden Geest Schenke tot verheerlijking van Zijnen naam en tot heil Zijner gemeente Amen!
(w.g.) overleden. D. J. Waterink, ouderling.
vertrokken. E. Dunnewind. ouderling.
vertrokken. Gs. Schrotenboer. diaken, later ouderling.
overleden. E. Kolkman. diaken.
J. Hofsink, ouderling.
bedankt. M. Jannessen 2). ouderling.
overleden. M. Dunnewind. ouderling.
vertrokken. Hs. Schrotenboer. diaken, later ouderling.
overleden. H. J. Bolks diaken.
overleden. E. Gerrits. diaken.
overleden. H. Veurink. diaken.
A. Hofsink. diaken, later ouderling.
vertrokken. L. Hilberink. diaken.
overleden. E. Bolks. ouderling.
D. Veurink. ouderling.
H. L. Heres. ouderling (met de stichting3) der gemeente Bergentheim van hier gescheiden).
G. J. Harsevoord. ouderling.
J. H. Bril. ouderling.
H. Hofsink. diaken (eervol ontslagen wegens lichaamszwakheid).
J. Veltink. diaken.
overleden. A. Santman. diaken.
D. Wijnholt. diaken (met de stichting der gemeente Bergentheim van hier gescheiden).
G. J. Meijer. diaken.
E. Schutte. diaken.
A. Ekenhorst. diaken.
overleden. G. J. Schonekamp. diaken.
H. Veurink. diaken.
M. Welleweerd. ouderling.
De Notulen maken overigens van deze bijeenkomst met geen enkel woord melding.
Maar door den Burgemeester werden inlichtingen ingewonnen omtrent deze vergadering, waardoor wij thans toch nog in staat zijn eenige bizonderheden mede te deelen.
Volgens een brief 4) aan den Gouverneur wistcn de personen die door den Burgemeester in deze zaak ondervraagd waren niets anders te zeggen, dan dat er gepredikt, gedoopt en bevestigd was door een zwager van Brummelkamp van Hattem ten huize van Gerhardus Veurink te Rheeze.
Dan werd er van het gebeurde, na informatie bij den Gouverneur door den Burgemeester het volgende proces-verbaal opgemaakt en naar Deventer gezonden:
Voor die Justitie. Afschrift
"De ondergeteekende Burgemeester der Gemeente het Ambt Hardenbergh, Kwartier van Salland, Provincie Overijssel, in den Loop van Woensdag, den 18en dezer, onderrigt geworden zijnde omtrent eene ten dien Dage ter buurtschap Rheeze ter Gemeente, ten Huize van den Landbouwer Gerhardus Veurink aldaar, plaats gevonden hebbende bijzondere Vereeniging ter Godsdienst-Oefening bij de zogenaamde Afgescheidenen of Separatisten ter Gemeente en Environs onder de leiding van zekeren Zwager van Antoni Brummelkamp, gewezen Predikant bij de Hervormden te Hattem, in welke door denzelven zoude zijn GEPREDIKT, GEDOOPT en BEVESTIGD, en, bij gebrek van behoorlijke Informatien aangaande den Aard dier Vereeniging en den Naam en Kwaliteit van derzelver Leider, ter zijner nadere verzekering dienaangaande tegens den volgenden Morgen, ten 9 Uren, voor zich hebbende doen roepen den persoon van Derk Jan Waterink, Landbouwer, wonende te Heemse in de Gemeente, bekend als fungerend Ouderling onder de voornoemde Afgescheidenen of Separatisten; zo heeft dezelve D. J. Waterink, oud 61 Jaren, (daartoe eerst ten dien Dage, des 's Avonds ten 9 Uren, - vermits zijne absentie gedurende den Loop van den Dag naar de Veenen ter derzelver Branding voor de Boekweit-culture, en deszelfs retour eerst van daar na Zonnen-Ondergang - voor mij gecompareerd zijnde) niet alleen het gehouden zijn van de voorzeide bijzondere Vereeniging tier Godsdienst-Oefening ten huize van Gerhardus Veurink te Rheeze voormeld (en in welke zelfs praesent) geavoueerd, 5) maar tevens aan mij verklaard, dat ter dezelve was geleeraardt, gedoopt en getreeden tot de Bevestiging van Ouderlingen en Diaconen door zekeren ..... van Raalte, beroepen Predikant bij de Afgescheidenen te Genemuiden en Omtrek ter dezer Provincie, en zijnde een Zwager van A. Brummelkamp voormeld
Van al hetwelk dan de ondergetekende, ten gevolge eener daartoe ontvangene Aanschrijving van Z.E. den Heer Gouverneur der Provincie, de dato gisteren, Kabinet Nr 179, dit tegenswoordige Procesverbaal dadelijk na derzelver Ontvangst heeft opgemaakt ten zijnen Woonhuize ter Steede Hardenbergh op heden den 22en Mei 1836, des Avonds ten 8 Uren.
De Burgemeester voornd.
(get.) ANT. VAN RIEMSDIJK.
Voor eensluidend Afschrift.
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh.
___
2) Lees: Jansen.
3) 17 Aug. 1879.
4) Van 20-5-1836, nr. 204.
5) toestemmen.
VI.
18 Mei 1836.
Institueering van de Gereformeerde Kerk van Heemse (vervolg).
Tenslotte werd er nog op verzoek van den Officier een onderzoek ingesteld, welke personen aan deze godsdienstoefening hadden deelgenomen.
Hiervan werd het volgende proces-verbaal opgemaakt:
Afschrift. Voorde Justitie
Op heden den 31en Mei 1836, des morgens ten 9 uren bij ons Antoni van Riemsdijk, Burgemeester der Gemeente het Ambt Hardenbergh, Kwartier van Salland, Provincie Overijssel, ten gevolge eener daartoe ontvangene Aanschrijving van Mijnheer den Officier van Justitie te Deventer van den 26en dezer, No. 10,006., getreden geworden zijnde tot het inwinnen van Informatien nopens de hoeveelheid van Personen op den 18en dezer tegenswoordig geweest in eene Godsdienst-Oefening ten Huize van den Landbouwer Gerhardus Veurink te Rheeze in de Gemeente, en wie al in dezelve, behalve de Predicant, in eenige betrekking werkzaam, met opgave van de Per&onen welke zich bij dezelve Oefening hebben bevonden, - en daartoe dan ieder afzonderlijk en een ieder voor zich hebbende gehoord de nabenoemde Personen, alle Ingezetenen der Gemeente, zo hebben dezelve respectivelijk dien aangaande en verders met betrekking tot de bedoelde Godsdienst-Oefening uitgelegd het geen volgt, te weten:
1e. Gerhardus Veurink, Landbouwer te Rheeze, oud 67 jaren; dat bij de boven bedoelde Godsdienst-Oefening geen negentien Menschen in de Keuken van zijn Woonhuis zijn tegenswoordig geweest, staande er wel een groter aantal voor de van binnen toegegrendelde Deur derzelve en zijnde de Glasramen van dezelve Keuken wel eens van buiten opgeschoven geworden, doch overigens ook neergeschoven geweest en wetende niet dat iemand van buiten aan die Godsdienst-Oefening, waarin tot Ouderlingen zijn bevestigd Derk Jan Waterink te Heemse en Egbert Dunnewind te Rheeze en tot Diacon Gerhardus Schrotenboer te Collendoornerveen en voort zijn gedoopt één kind van Egbert Dunnewind te Rheeze, één van Hendrik Veurink aldaar en één van Jan Herm Welleweerd te Ane, doch niet is gezongen, maar zich het Discours van den leider derzelve, zekere ...... van Raalte, beroepen Praedicant onder de Afgescheidenen te Genemuiden en Mastebroek, enkel tot de Christelijke Vermaningen en Opwekkingen heeft bepaald en voorts verder alleen tot God is gebeden, heeft deel genomen: hebbende voorts niemand behalven genoemden ...... van Raalte in dezelve Godsdienst-Oefening in welke behalven dezen en hij en zijne Huisvrouwe Janna Richterink met hunnen bij hun inwonenden Zoon en Schoondogter Hendrik Veurink voornoemd en Vrouwe Jennegien Waterink, Egbert Dunnewind voorzeid en Vrouwe Evertjen Hannink, Zwaantjen Slot, Huisvrouwe van Gerrit Jentink te Brucht, Jan Herm Welleweerd opgedagt en Vrouwe Dina Meijerink, Hendrikus Moddejonge te Rheeze, Lucas Hilberink te Collendoorn, Derk Plasman te Collendoorner Veen, Gerhardus Schrotenboer en Derk Jan Waterink opgedagt (wetende ten dezen geene verdere Personen te noemen), tegenwoordig, in eenige betrekking werkzaam geweest.
En heeft de geinformeerde ten blijke van dien, alhier na voorlezing getekendt.
(getekendt) G. VEURINK.
2e, Derk Jan Waterink, Landbouwer te Heemse, oud 62 jaren; enz.
3e, Zwaantjen Slot, Huisvrouw van Gerrit Jentink, Landbouwersche te Brucht, oud 37 jaren; enz.
4e.Hendrik Timmerman, Landbouwer te Rheeze, oud 44 jaren; dat hij, op den 18en dezer iets ontwarende nopens eene ten Huize van Gerhardus Veurink in zijne Buurtschap te houdene Godsdienst Oefening, ook naar derwaards is gegaan, doch aldaar geslotene Deuren vindende, niet in dezelve is geweest, en derhalven niets weet optegeven wat in dezelve voorgevallen, door welke en hoe veele Personen dezelve bijgewoond en door wie hunner daaraan een werkzaam deel is genomen; bevindende zich buiten 's Huis ook een aantal van Personen waaronder zich herinnerd Herm Veurink en Lucas Veurink uit zijne Buurtschap, alle verlangende iets van de betrekkelijke Oefening te horen, doch zulks niet hebbende gehoord.
En heeft de Geinformeerde ten blijke vandien alhier na voorlezing getekendt
(getekendt) H. TIMMERMAN.
5e. Egbert Dunnewind, School-onderwijzer te Rheeze, oud 42 Jaren; dat op den 18en dezer ten Huize van Gerhardus Veurink aldaar eene Godsdienst-Oefening is gehouden geworden onder de Leiding van zekeren A. C. (wetende dezes voornamen niet voluit optegeven) van Raalte, beroepen en bevestigd Predicant in de afgescheidene Gemeentens te Mastebroek en te Genemuiden, waarin (volgens het zeggen van anderen, hebbende de Geinformeerde dezelve niet geteld) negentien Personen zullen zijn tegenwoordig geweest, welke door gezegden van Raalte is geopend met een gebed, en waarin dienna tot Ouderlingen zijn bevestigd Derk Jan Waterink te Heemse en de Geinformeerde en tot Diacon Gerhardus Schrotenboer te CollendoornerVeen, voorts den Heiligen Doop is toegediend van één Kind van hem, één van Hendrik Veurink te Rheeze en één van Jan Herm Welleweerd te Ane en eindelijk onderzoek bij de geoefend wordenden nopens den grond waarop hunna Zaligheid was berustende te werk gesteld, na alvorens derzelver namen te hebben gevraagd en opgetekend, en gaande vergezeld met Godsdienstige Vermaningen en opwekkingen; hebbende wijders ter dezelve Oefening niemand anders een werkzaam deel genomen dan de voormelde bevestigde Diacon door het houden eener Collecte: wezende, behalven gezegden van Raalte, de voorzeide bevestigden en het Huisgezin van Gerhardus Veurink voornoemd, in de betrekkelijke Oefening onder anderen tegenswoordig zijne Huisvrouwe Evertjen Hannink, Johannes Schrotenboer te CollendoornerVeen, Derk Plasman aldaar, Lucas Hilberink te Collendoorn en Marten Jansen te Ane.
En heeft de Geinformeerde ten blijke van dien, alhier na voorlezing getekendt.
(getekendt) E. DUNNEWIND.
6e. Berend Scholten, Landbouwer te Rheeze, oud 40 Jaren; enz. (bevond zich buitenshuis).
7e. Gerhardus Schrotenboer, Landbouwer te CollendoornerVeen, oud 36 Jaren; dat niet weet, dat ten Dage van den 18en dezer, ten Huize van den Landbouwer Gerhardus Veurink, eene Godsdienstige Oefening is gehouden, maar wel dat ten dien Dage aldaar zijn bevestigd tot Ouderlingen onder de Afgescheidenen Egbert Dunnewind aldaar en Derk Jan Waterink te Heemse, mitsgaders tot Diacon onder dezelve hij Geinformeerde, zijnde voorts bij die gelegenheid ook gedoopt geworden één Kind van gezegden Egbert Dunnewind, één van Hendrik Veurink te Rheeze en één van Jan Herm Welleweerd te Ane, alles door eenen zogenaamden van Raalte, zijnde een Zwager van den gewezen Praedicant Brummelenkamp te Hattem; wezende voorts door denzelven van Raalte (van wien geen andere Kwaliteit dan die van Student kend, als zullende eene Praedicants-plaats, waartoe beroepen, hebben geweigerd te aanvaarden uit hoofde van gemaakte Zwarigheid tegens eenen hem daartoe opgelegden Eed, 2) ter dier Vergadering wijders niets anders uitgevoerd dan het houden van een Dank gebed; zijnde ter dier Vergadering slechts negentien Personen binnen 's Huis tegenswoordig geweest, ofschoon buiten hetzelve wel meerdere Personen aanwezig, onder de eersten van welke, zich behalven gezegden van Raalte, de Bevestigden en het Huisgezin van Gerhardus Veurink opgedagt, onder anderen waren bevindende, Evertjen Hannink, Huisvrouw van gezegden Egbert Dunnewind, Lucas Hilberink te Collendoorn, Zwaantjen Slot, Huisvrouw van Gerrit Jentink te Brucht, Johannes Schrotenboer te CollendoornerVeen, Derk Plasman aldaar en Marten Jansen te Ane; hebbende overigens ter zelfder Vergadering niemand eenig werkzaam deel aan dezelve genomen dan de meergenoemde Van Raalte.
En heeft de Geinformeerde ten blijke van dien, alhier na voorlezing getekendt.
(getekendt) G. SCHROTENBOER.
8e. Mannes Schrotenboer, Landbouwer te Heemse, oud 33 Jaren; enz. (was niet tot het einde aanwezig).
9e. Lucas Hilberink, Boerenknecht te Collendoorn, oud 30 Jaren; enz.
Van de hetwelk voorgeschreven wij Burgemeester voornoemd dit tegenswoordige Informatoir-Procesverbaal 3) hebben opgemaakt en onder onze eigenhandige Vertekeninge gesloten ten Gemeente Huize te Heemse ten Jare en Dage, als boven, des Achtermiddags ten 3 Uren.
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh,
(get.) ANT. VAN RIEMSDIJK.
Voor eensluidend Afschrift:
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh,
(w.g.) ANT. VAN RIEMSDI.JK.
2) Van Raalte werd niet toegelaten tot de bediening in de Ned. Herv. Kerk, omdat hij geweigerd had te verklaren dat de Reglementen van de Ned. Herv. Kerk overeenkomstig Gods Woord waren en zich onvoorwaardelijk aan die Reglementen te onderwerpen, wat ook van niemand anders geëischt werd.
3) We vinden in dit proces-verbaal de namen van 18 personen (behalve Ds. van Raalte), die zich binnenshuis bevonden. Buitenshuis bevond zich behalve de bovengenoemde Hendrik Timmerman, Herm en Lucas Veurink en Berend Scholten, nog o.a. Peter Kramer uit Ommen.
VII.
Maatregelen tegen de Afgescheidenen te Heemse.
Nauwelijks was deze zaak afgehandeld, of reeds zag de Burgemeester zich genoodzaakt aan den Gouverneur het volgende schrijven te richten:
Heemse, den 6en Junij 1836.
No. 222.
0nderwerp.
Bijzondere Vereenigingen
tot het houden van Gods-
dienst-Oefeningen ter
Gemeente.
Bij gelegendheid der heden ter Gemeente gehouden wordende veele Gesprekken of Discoursen over de op gisteren ter Buurtschap Varssen in de Gemeente het Ambt Ommen voor een groot aantal Toehoorders van heinde en verre gehouden opentlijke Predikingen door den bij mijne Missive aan Uw Excellentie van den 20en der vorige Maand, No. 204., opgegevenen van Raalte, nu te eerst ontwarende, dat deze zich ook wederom niet heeft ontzien gehad om in den Achtermiddag van Zaturdag l.l., den 4en dezer, te Rheeze in deze Gemeente ten Huize van den School-Onderwijzer Egbert Dunnewind aldaar eene Godsdienstige Vereeniging met zogenaamde Afgescheidenen of Seperatisten te houden, dezelve te leiden en vervolgens ook voor dezelve en anderen (misschien uit enkele nieuwsgierigheid derwaarts gevoerd) in het openbaar te prediken, zo heb ik mij gehaast mij daaromtrent te infonneeren bij den Buurt- of Wijkmeester dier Buurtschap Marien Stegeman; en nu zo straks van dezen, zelve uit nieuwsgierigheid ter opgemelde Oefening en onder het Gehoor van voornoemden van Raalte zullende zijn praesent geweest, de zekerheid van het als voorschreeven Gebeurde vernemende, zo heb ik de Eer Uw Excellentie daarvan bij deze, ten gevolge van Deszelfs Aanschrijving van den 6en der vorige Maand, Kabinet No. 137., te informeeren; even als van de mij bij Ondervraging deszelven M. Stegeman, wederom ten duidelijksten geblekene Omstandigheid, dat ten dezen ook met weinig Vrucht, hetzij tegen den Oefening-Houder, Leider of Prediker ofte zijne Medewerkers en Hoorderen, Proces-verbaal ter zake van Overtreeding van Art. 291. van het Wetboek van Strafregt zal kunnen worden opgemaakt, als nu laatstelijk, ten gevolge van Deszelfs Missive van den 21en der vorige Maand, Kabinet, No. 179, geschied nopens den op den 18en gehoudene soortgelijke Oefening enz. ten Huize van den Landbouwer Gerhardus Veurink te Rheeze voormeld, waaromtrent ook alle mijne sedert, ingevolge Aanschrijving van mijn Heer den Officier van Justitie te Deventer van den 26en derzelve Maand No. 10006., gehoudene lnformatien gemankeerd hebben om dezelve in directen Strijd met opgemelden wetsartikel te stellen, als hebbende geen der Geinfonneerden tot eenige bepaling nopens het Getal Deelnemers aan dezelve willen komen, mochte tot eenige uitgestrekte persoonlijke Opgave dienaangaande.
Verblijvende hiermede onderdanigst
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh.
(w. g.) ANT. VAN RIEMSDIJK.
Aan Z.E., den Heer Gouverneur der Provincie Overijssel, residerende te Zwolle.
Uit deze brief blijkt duidelijk dat de Afgescheidenen in Heemse zich in de gegeven omstandigheden wisten te redden en dat zij een wetsbepaling volgens de letter op hen toepasselijk verklaard, ook letterlijk opvolgden.
Zij zorgden er voor dat het aantal deelnemers aan hun godsdienstoefeningen beneden de 20 personen bleef.
Tot dusver waren er in Heemse nog geen bijzondere maatregelen genomen tegen de Afgescheidenen. In aansluiting aan het K. B. van 5-7-1836, S. 42, nopens onwettig bestaande Godsdienstige vereenigingen en bijeenkomsten, zond de Gouverneur in dezelfde maand achtereenvolgens eenige aanschrijvingen aan de Gemeenten "tot waking tegen en wering van ongeoorloofde Godsdienstige Bijeenkomsten, strijdig met de gegevene voorschriften en bepaaldelijk met bovengenoemd K. B., desnoods met adsistentie der militaire Magt daartoe te Ommen te arriveren en nadere Order te verblijven".
We vernemen echter vervolgens niets van genomen maatregelen. Ook wordt door den Burgemeester geen melding meer gemaakt van een gehouden bijeenkomst. Wellicht was dit een gevolg hiervan, dat men in groepjes beneden de 20 personen bijeenkwam.
Wel schrijft hij in het Gemeente-verslag over 1836, d.d. 28-4-1837:
" Te aanzienlijk intusschen is ter dezelve het getal der zogenaamde Separatisten onder de Leiding van eenen van Raalte te Genemuiden, dan dat wij hetzelve alhier zouden kunnen voorbijgaan zonder daarvan met leedwezen te gewagen."
"Het zoude intusschen niet hebben kunnen blijven missen, dat niet de meer verlichte denkwijze der opgemelde Heeren L. Bosch en H. Wineke beide, bij continuatie, van gunstigen Invloed op de Denkwijze der Gemeente zoude gebleven zijn, ware het niet dat van het ten dezen verpeste Ommen de geest van het voormelde Separatismus naar herwaards door de veele nabuurlijke en familieBetrekkingen tegen alle verwachting dagelijks was overgeplant geworden."
Ds. Wineke overleed 7 Augustus 1836. De Hervormde Kerk van Heemse was daarop vacant tot 18 Februari 1838, toen de heer Simon Hendrikus Coldeweij, candidaat bij het Prov. Kerkbestuur van Zuid-Holland, als predikant werd bevestigd.
Waarschijnlijk was door deze vacature de inlichtingsdienst defect, en of bepaalde de Burgemeester zich gaarne tot de inzending van eenige pittige mededeelingen aan Hoogere Besturen, wanneer deze werden gevraagd. Althans we vernemen niets meer van het nemen van maatregelen tegen de Afgescheidenen in de gemeente Ambt-Hardenberg.
Toen in November door den gemeenteveldwachter in Brucht een gezelschap werd aangetroffen ten huize van den landbouwer G. Jentink, werd slechts geconstateerd, dat aldaar 13 personen aanwezig waren.
In Januari 1837 sprak de Kerkeraad over "de Boetens door de prediking van Gods woord door A. C. van Raalte te Ane" (gemeente Gramsbergen). In Mei 1837 betaalde men voor boete aan de rechtbank te Deventer f 24.75 en voor Ds. van Raalte aan boete f 100.-.
In December d.a.v. sprak men nog over "de pligtmatigheid der nog verschuldigde Boete voor Ds. A. C. van Raalte om die teneersten aan hem terug te geven".
Overigens wordt in het kasboek en in de notulen niet meer over het betalen van boeten gesproken.
Uit deze enkele gegevens kan niet worden nagegaan, of de gemeente of bepaaJle personen te Heemse e. o. beboet zijn.
Uit de bovenaangehaalde brief van 6 Juni 1836, nr. 222, van den Burgemeester van Ambt-Hardenberg aan den Gouverneur van Overijssel is dit ook niet zoo waarschijnlijk.
Het eerste vuur van de vervolgingswoede in den lande was allicht ook reeds wat bekoeld en de hoop de buiten de "officieele" kerk geraakte groep met allerlei dwang- en geweldmaatregelen in de kerk terug te kunnen drijven begon langzamerhand te vervliegen. Men vertelt van den toenmaligen Gouverneur van Overijssel, dat deze aan den Koning te kennen heeft gegeven niet mede te kunnen werken aan de uitvoering van de scherpe maatregelen tegen de Afgescheidenen, dat hij liever zijn ambt beschikbaar stelde, zoo hem deze vrijheid niet gelaten werd.
VIII.
Meister Dunnewind.
Een van de personen, die minder aangename herinneringen behield aan de ongunstige gezindheid van de regeering jegens de Afgescheidenen, was Egbert Dunnewind, landbouwer en schoolonderwijzer te Rheeze.
Op aanraden toch van den Officier van justitie te Deventer was door den Burgemeester van Ambt Hardenberg behalve aan den Gouverneur van Overijssel ook kennis gegeven aan den Schoolopziener van het 5e district te Ommen, hoe de schoolonderwijzer E. Dunnewind "zich als Hoofdleider of Bestierder kwam voordoen van eene Godsdienstige Vereeniging van 19 Personen" op 7 Februari 1836 en hoe het verloop van die vergadering was. 21 April d.a.v. had hij voor den Gouverneur van Overijssel moeten verschijnen ten einde over tegen hem ingebrachte klachten te worden gehoord.
Terwijl de Gouverneur Dunnewind o. a. wilde onderhouden over zijn separatistische gezindheid en zijn actief deelnemen aan het uiteenscheuren van de vaderlandsche Kerk, ontzag deze zich niet om 2 dagen vóór zijn gang naar Zwolle getegenheid te geven in zijn woonhuis tot het houden van een godsdienstige bijeelnkomst, welke echter, dank zij de activiteit van Burgemeester van Riemsdijk, ontbonden werd.
Dit alles was echter niet in staat hem er van terug te houden zijn huis open te stellen voor het houden van godsdienstige bijeenkomsten, want Zaterdag 4 juni trad Ds. van Raalte weer voor de gemeente op in Meister's woning.
Was Dunnewind tot dusver steeds ongemoeid gelaten, hoewel zijn tractement uit de publieke kas werd betaald, dit zou zoo niet blijven.
Lezen we toch de volgende brief:
Heemse den 15en November 1836.
No. 422.
Onderwerp.
E. Dunnewind, Schoolonder-
wijzer in de lagere School
te Rheeze ter Gemeente.
Egbert Dunnewind, School-Onderwijzer in de lagere School te Rheeze ter Gemeente (dezelfde, als bedoeld bij Uw Excellentie's Kabinets-Schrijven van den 12en April dezes jaars, No. 136.) op heden zijne Functie van Ouderling bij de Separatisten in de Gemeente hebbende doen gelden boven die van zijnen voormelden Post, door den Heer ...... van Raalte, zich kwalificerende Leeraar onder gemelde Separatisten ter Provincie en als zodanig zich hebbende gevestigd te Genemuiden, te vergezellen in het doen van zogenaamde Huisbezoekingen onder de zijnen, zo heb ik gemeend Uw Excellentie daarvan bij deze ter zo veel mogelijke medestreeving tot het doel, door Z. M., bij Hoogstdeszelfs Besluit van den 5en julij laatstleden (Staatsblad No. 42) gemanifesteerd; te moeten informeeren; zijnde alzo heden, onder de anders gewone School-Uren ter Gemeente, met genoemden van Raalte, te Brucht in dezelve, bij het doen zijner gewone Rondes ontmoet door den Dienaar van Policie en Veldwachter der Gemeente, zonder echter ter dezelve eene talrijker Bijeenkomst dezer menschen, hoedanige heeft bevonden ten huize van den Landbouwer Gerrit Jentink aldaar, te hebben kunnen opsporen dan van 13 Personen, blotelijk over godsdienstige zaken met elkanderen spreekende.
Verblijvende onderdanigst
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh.
(wo g.) ANT. VAN RIEMSDIJK.
Aan Z.E., den Heer Gouverneur
der Provincie Overijssel, resideren-
de te Zwolle.
Ook de schoolopziener te Ommen werd van dit schoolverzuim op de hoogte gebracht. Het gevolg was "dat in overeenkomst met art. 18 der algemeene wet van 1806 en van art. 8 van het provinciale schoolreglement van 15 Januarij 1807 voordracht is geschied tot de suspensie 2) voor den tijd van 6 weken van den onderwijzer Dunnewind te Rheeze uit hoofde van plichtsverzuim."
Nu was het de groote moeilijkheid om een geschikten plaatsvervanger te vinden, daar deze bekend moest zijn met de "nieuwe methode", en een paar beschikbare gepensioneerde onderwijzers "vermoedelijk minder geneigd waren vanwege de bekende veelheid der Aanhangeren van E. Dunnewind te Rheeze en elders ter gemeente."
De bezoldiging mocht "niet plaats vinden naar de gegeven uren, maar naar de overeenkomstige tijd verleden jaar, opdat Dunnewind er geen belang bij hebbe het getal leerlingen gering te doen zijn".
Eindelijk stelde zich, na overreding, een gepensioneerd onderwijzer beschikbaar, zoodat Burgemeester en Assessoren de schorsing van meester Dunnewind konden bepalen van 6 Maart tot en met 15 April. De vervanging geschiedde op kosten van Dunnewind, die, "ter vermijding van omslachtige handelingen", zijn eigen tractement zelf aan den vervanger moest uitbetalen.
In November 1837 zond E. Dunnewind met nog eenige andere personen aan den Burgemeester een adres, waarbij zij "het verlangen te kennen gaven, dat hunne kinderen op de School ook in het leerstellige van de Godsdienst mogten worden onderwezen door den schoolmeester Dunnewind, die verklaarde dat hij niet langer in strijd kon staan met zijn geweten tegen God, Eed, pligt en Ouders en het hem dus betaamde, God meer dan de menschen te gehoorzamen".
Aangaande dit adres schrijft de Burgemeester aan den schoolopziener te Archem bij Ommen in zijn schrijven d.d. 6 November 1837, nr. 288:
"Dezer dagen mij door Egbert Dunwind, School-Onderwijzer in de lagere school te Rheeze, overgebragt zijnde ,het inleggend adres, hetwelk ik heb begreepen te moeten houden als in de eerste plaats aan Uw Hoogwelgeboren, als Districts-Schoolopziener te zijn gerigt, zo heb ik de eer hetzelve met deze aan Uw Hwgeboren optezenden; het daarvoor houdende, dat ten gevolge van hetzelve de betrokkene School-onderwijzer, welken te vergeefs heeft getracht heb omtrent de absurditeit van zijn en der zijnen verlangen, mitsgaders opinin te overtuigen, zich eenmaal van den School dienst in zijne School geheel en al zal komen te onttrekken, als niet voornemens schijnende denzelven, zonder verbinding daarmede van leerstellig gereformeerde Godsdienstige Onderwijs verder waanenemen".
___
2) schorsing.
lX.
Meister Dunnewind (vervolg).
Het adres uit Rheeze wekte de diepe verontwaardiging van den schoolopziener op tegen Dunnewind en tegen den heer Groen van Pinxsteren, van wien hij de naam zeker niet goed kon lezen in het adres. Hij geraakte door het lezen van de brief zoo van streek, dat hij de goede toon uit het oog verloor en het volgende fraaie epistel verzond:
No. 33. Archem den 8 Nov. 1837.
Onderwerp:
Adres van den Schoolon-
derwijzer Dunnewlnd te
Rheeze.
Ik heb het adres van den Schoolonderwijzer Dunnewind, met de daarbij gevoegde begeleidende missive van 6en dezer, dadelijk na den ontvang aan de overige leden der provinciale Commissie van onderwijs gezonden, en voorgedragen om ten gevolge van het zelve namens de Commissie aan Z. E. den Heere Gouverneur voor te stellen, om gemelden Dunnewind onmiddelijk uit zijne betrekking te ontslaan, als niet langer als eerlijk man dezelve kunnende blijven uitoefenen na de verklaring in het slot van dezelve vervat.
Ik beschouw des zelfs gedrag als een gevolg van verstandsverbijstering en geloof dat die persoon, door zich te veel te verdiepen in afgetrokkene leerstellige bespiegelingen, aan het mijmeren geraakt, en op dat stuk in een soort van monomanie 2) vervallen is. Het stuk zelve schijnt een vrucht van ontstelde hersenen te zijn. Indien tog eenig gezond verstand bij de redactie van hetzelve voorgezeten had, zoude de steller aan ondergeschikte ambtenaren de magt niet toegekend hebben gehad, om de Wetten des Rijks te veranderen na de opiniën van hem en van den Heer Groen van Pinxsteren.
Ik ontveins mij de zwarigheden niet, welke er bestaan zullen, om de school op eene geschikte wijze te doen waarnemen, doch minder doelmatig als zulks in het laatste jaar door hem geschied is, kan zulks niet ligtelijk geschieden. Het is mede te vreezen dat hij, na eenmaal van de school verwijderd te zijn, zal trachten om ongeoorloofd onderwijs te geven, doch de bekende activiteit van Uwedg. is mij ten waarborg, dat de straf dan spoedig de daad volgen zal. In allen gevalle begrijp ik dat iemand, die tegen eed en pligt meent te handelen, indien hij zijne ambtspligten volgens de bestaande wetten waarneemt, niet langer in functie kan blijven.
Er was alle grond geweest, om hem af te zetten, hij is eerst door Z. E. den Gouverneur wegens het plegen van onwettige daden gereprimandeerd geworden, en heeft nog in den loop van dit jaar eene suspensie ten gevolge van pligtverzuim ondergaan: doch uit hoofde ik hem, als niet in allen deele compos mentis 3) zijnde, beschouw, komt het nog voor beter te zijn den rechtsten weg in te slaan, die tog tot het zelfde einde leidt, en hem ten gevolge van zijne verklaring, volgens welke hij niet langer in functie en tevens eerlijk man blijven kan te dimitteren, en zijn adres als een verzoek om ontslag te beschouwen.
Daar het adres aan de gezamelijke schoolopzieners en dus met andere woorden aan de Commissie van onderwijs gerigt was, heb ik het resultaat van dezelve deliberatien daar aan moeten overlaten, en derhalve moet de mededeeling daar van namens de Commissie aan Z. E. den Gouverneur geschieden. Ik geef UWedg. echter in consideratie, of het geen zaak zoude zijn, om Z. E. voorloopig met den toedragt der zaken bekend te maken, ten einde vertragingen in Deszelfs Besluit voor te komen, welke anders het noodzakelijk gevolg zijn moeten, daar Z. E. tog geen Besluit zal nemen, alvorens het berigt van het Gemeentebestuur mede te hebben ingewonnen.
De Schoolopziener van het
5de district
(w. g.) ......
Den Heere Burgemeester
van het Ambt Hardenberg.
Dunnewind schijnt in afwachting van het antwoord op het adres van sommige inwoners van Rheeze zijn onderwijs maar zoolang gestaakt te hebben.
Begin December toch ontvangt de Burgemeester bericht van den schoolopziener, dat deze klachten heeft ontvangen van drie verschillende personen uit Rheeze dat "de onderwijzer Dunnewind aldaar geheel zijne School verzuimd en het onderwijseigenerauthoriteitgestaakt heeft".
Na onderzoek kon de Burgemeester 4) mededeelen aan den schoolopziener
"dat de Schoolonderwijzer in de lagere School te Rheeze ter Gemeente E. Dunnewind zich (uithoofde door hem aangevoerde bij het Libel, hetwelk aan Uw Hoogwelgeboren adresseerde bij mijne Missive van den 6en November l.I., No. 288) wel degelijk geheel en al aan het geven van Onderwijs in dezelve School heeft onttrokken en hetzelve alzo ter dezelve voor het moment geheel en al stil staat, doch heb ik, in afwachting der door de superieure Authoriteit tegen en omtrent denzelven Dunnewind ten gevolge van hetzelve Libel te neemene Maatregulen, begreepen het hierdoor bij de Schooljeugd in die Buurtschap te lijden nadeel niet van dat belang te zijn, als wel door de des bij Uw Hoogwelgeboren geklaagd hebbende drie Ingezetenen dier Buurtschap zal zijn opgegeven, als genietende inmiddels toch derzelver Kinderen en die van hunne mede-Ingezetenen onderwijs in de binnen 1/2 of 3/4 uur van daar gelegene Schoolen ten Dorpe Heemse en ter Buurtschap Diffelen.
Misschien draagt ook nog wel dezelve Dunnewind kennis van de voorzeide bij Uw Hoogwelgeboren gevoerde Klagten, althans ook twee der Klagers hebben zich daarmede bij mij vervoegd gehad, zich ten hoogsten bezwaard achtende, dat hunne Kinderen de Dupe zouden zijn van het uitblijven der Decisie door de superieure Authoriteit op de gemoedelijke Bezwaren van hunnen School-onderwijzer, aan welke zoals de een derzelve althans zich durfde uitdrukken, te eerder zoude kunnen worden toegegeven uithoofde zijne School door geene Dissenters aan den Gereformeerde Godsdienst werd bezocht, en het alzo te wenschen ware dat in dezelve ook het onderwijs in het leerstellige van dien Eeredienst, waartoe in de huisgezinnen weinig of volstrekt geene gelegenheid, werd getolereerd."
Op den ouden vervanger was men in Rheeze ook niet gesteld.
Daarom schrijft de Burgemeester verder:
"althans houde ik het daarvoor, dat het, in afwachting der niet lang meer uit kunnende blijven Decisie nopens den nalatigen Dunnewind, voor de Kinderen te Rheeze nuttiger zal zijn, dat zich den loop naar de Scholen van Heemse en Diffelen tot het bekomen van onderwijs voor eenigen tijd blijven getroosten, dan dat daartoe wederom aan welgemelden" vervanger "bij zijne hoge Jaren en afgewendheid van het geven van onderwijs worden toevertrouwd; het Bestuur der Gemeente, hetwelk bij de bestaande verordeningen op het onderwijs in het Rijk niet anders dan de amotie 5) van Dunnewind is tegemoet ziende, bereid zijnde, dienna dadelijk met Uw Hoogwelgeboren over te gaan tot eene oproeping van Sollicitanten naar die School en derzelver weder-vervulling na daartoe gehouden vergelijkend Examen."
De beslissing op het adres uit Rheeze kwam zooals verwacht werd spoedig binnen, n.l. bij schrijven van den Gouverneur van 18 December 1837, Kab., nr 347, hetwelk luidt als volgt:
De Gouverneur van de provincie Overijssel
Gelezen eene missive van den Secretaris der provinciale Commissie van Onderwijs in Overijssel van den 12 dezer, daarbij inzendende een adres van den Onderwijzer te Rheeze E. Dunnewind c.s. van den 1 November l.l., door den Burgemeester van het Ambt Hardenberg met eene geleidende missive van den 6 daaraan volgende opgezonden aan den Schoolopziener in het 5e district, welke dit bij missive van den 7 dier maand in handen der provinciale Commissie van Onderwijs had gesteld, gevende E. Dunnewind c.s.: bij dat adres hun verlangen te kennen, dat hunne kinderen, op de School ook in het leerstellige van de Godsdienst mogten worden onderwezen, terwijl de eerste teekenaar E. Dunnewind Schoolmeester te Rheeze daarbij verklaart, dat hij niet langer in strijd kan staan met zijn geweten tegen God, Eed, pligt en Ouders en het hem dus betaamt, God meer dan de menschen te gehoorzamen.
Gelet op de door den Heer Secretaris der Provinciale Commissie van Onderwijs, te dezer Zake medegedeelde gevoelens van de overige leden dier Commissie.
Gelezen eene missive van den Heer Schoolopziener van het 5e district van den 12 dezer, mede de opgemelde zaak betreffende.
Gelet op art. 23 van het reglement voor het lager Schoolwezen en Onderwijs, gearresteerd bij de Wet van den 3 April 1806.
BESLUIT
1o. "den Burgemeester van het Ambt Hardenberg bij afschrift dezes uit te noodigen om aan E. Dunnewind c. s., namens den Gouverneur te kennen te geven, dat op grond van voormeld Art. 23 van het Reglement van 3 April 1806 waarbij bepaald wordt, dat het geven van Onderwijs in het leerstellige van het Kerkgenootschap, niet zal geschieden door den Schoolmeester, in hun verzoek niet kan worden getreden, en voorts aan Dunnewind te kennen te geven, dat binnen Acht dagen Schriftelijk aan hem Burgemeester eene verklaring zal moeten doen toekomen of hij zich al dan niet naar de bestaande voorschriften omtrent het onderwijs, ook bepaaldelijk omtrent voormeld punt wil gedragen zullende eene ontkennende of het niet geven der verklaring, beschouwd worden als aanvrage om ontslag als Schoolonderwijzer."
2o. de Burgemeester van het Ambt Hardenberg zal vóór het einde dezer maand, aan den Gouverneur, berigt van den uitslag dier mededeeling inzenden.
3o. Afschriften dezes mede te doen toekomen aan de Provinciale Commissie van Onderwijs en aan den Heer Schoolopziener van het 5e district dezer Provincie."
Door den Burgemeester werd Dunnewind, in opdracht van den Gouverneur, bekend gemaakt met de inhoud van deze brief en hem op het hart gebonden zich aan de wettelijke bepalingen te onderwerpen. Evenwel, zoo schrijft hij aan den Gouverneur: "heeft dit verzoek en recommandatie bij den Man geene andere uitwerking mogen hebben dan dat mij van wegen denzelven eergisteren is geworden het allezints verward en duistere Geschrift of stuk, hetwelk de eer heb hiernevens te voegen."
Dit stuk is niet aanwezig evenmin als het adres, dat door Dunnewind c. s. ingezonden was. De inhoud van het adres blijkt echter uit de laatst aangehaalde brief.
Voor het godsdienstonderwijs was men dus aangewezen op de Kerk.
Kon men geen genoegen nemen met dit onderwijs, gezien de ,,(zeer) verlichte denkwijze" van de predikanten en had men als ouders zelf niet de gave en de kennis (wat in die tijd in 't geheel geen verwondering behoeft te wekken, gezien ook de "gedurfde" uitdrukking van een der Rheezenaren tegen den Burgemeester in zijn boven aangehaalde brief van 11 December 1837, nr. 313), dan was het met de geestelijke opvoeding van de jeugd wel erg treurig gesteld. In geestelijk opzicht werd er honger geleden. Bij een kerkvisitatie te Heemse op 11 Maart 1839 bevond men dan ook dat "het opvoeden der kinderen bij sommige ouders Heidens geschied".
___
2) Waanzin, die zich op één bepaald voorwerp richt.
3) Meester van zijn verstand, toerekenbaar.
4) D.d. 11 December 1837, nr. 313.
5) Verwijdering.
X.
Meister Dunnewind (slot).
Overigens duurde het nog geruime tijd voordat de eindbeslissing in de zaak Dunnewind werd genomen. Gedurende al die tijd en nog lang daarna werd er te Rheeze geen school gehouden.
De beslissing kwam bij schrijven van de Gedeputeerde Staten van Overijssel van 14 Junij 1838, 1e afd., nr. 1253/883, en luidt als volgt:
"De Gedeputeerde Staten
van de Provincie Overijssel
Gezien de missive van de provinciale Commissie van onderwijs in Overijssel van den 5. dezer houdende voordragt, om den Schoolonderwijzer te Rheeze, Gemeente Ambt Hardenbergh, Egbert Dunnewind de acte van algemeene toelating in te trekken, en dien ten gevolge uit Zijnen post te ontzetten, uit hoofde van pligtverzuim en weerstreving der algemeene wet op het onderwijs.
Gelet op de berigten van den Dis tricts SchoolopZiener van 7. November en 12 December 1837 en van den Burgemeester van het Ambt Hardenberg van den 6 November en 11 en 30 december 1837 en op de daarbij overgelegde verklaring van den Onderwijzer van den 28 December 1837.
Overwegende, dat het voldoende is gebleken dat E. Dunnewind zich heeft schuldig gemaakt.
1o aan herhaald en voortdurend pligtverzuim door in den laatsten tijd geen School te houden.
2o Aan weerstreving der algemeene wet door het weigeren van lager onderwijs te geven, Zonder daarbij leerstellig Godsdienstig onderwijs te voegen.
Overwegende dat E. Dunnewind reeds bij besluit van 13 Februarij 1837 No 46, op grond van pligtverzuim voor den tijd van zes weken in de uitoefening van Zijne functien is geschorst geweest.
Gelet op Art. 18, en 19 der wet en Art. 23 van het Reglement op het lager onderwijs van den 3 April 1806.
Besluiten
1o de akte van algemeene toelating van den onderwijzer Egbert Dunnewind intetrekken, en dientengevolge aan denZelven het regt en genot te ontzeggen Zijner speciale beroeping als onderwijzer te Rheeze onder het Ambt Hardenbergh.
2o Afschrift dezer te doen toekomen
a. aan den Burgemeester van het Ambt Hardenberg om eene geauthoriseerde kopij daarvan, Zoo veel Art. 1 betreft uittereiken aan den voormelden E. Dunnewind, en om voorts volgens de bestaande verordeningen met over1eg van den districts-SchoolopZiener Zorg te dragen, dat in de waarneming van den Schooldienst. en in de vervulling der vacante ondenvijzers plaats worde voorzien.
b. aan enz."
Zoo werd Dunnewind dan eindelijk afgezet als onderwijzer, omdat hij vanwege zijn principieele bezwaren tegen een godsdienstlooze school in conflict gekomen was met de schoolwet.
De houding van Dunnewind schijnt ons echter ook wat eigenmachtig en voorbarig, in zoover hij niet kalm de beslissing op zijn adres afwachtte.
Hij had een eenigszins onverzettelijk karakter, waardoor conflicten met zijn medemenschen niet altijd uitbleven.
Toch heeft de Gereformeerde Kerk van Heemse en omgeving veel aan Dunnewind te danken. Hij was een man met geloofsmoed en moet beschouwd worden als de voornaamste verbindingsschakel tusschen de Vaders der Afscheiding (met name Ds. van Raalte) en de gemeente.
In de eerste en de moeilijkste jarlen heeft hij zijn beste krachten aan de jonge gemeente gegeven.
In 1846 vertrok Dunnewind met zijn gezin en nog eenige andere families naar Amerika, waarschijnlijk met zijn vriend Ds. van Raalte, zij het dan niet met hetzelfde schip.
[potloodaantekening in de kantlijn: zie de passagierslijst van The Southerner in: H.J. Prakke, Drenthe in Michigan, blz 82 v.v.]
De kerkeraadsnotulen van 26 Augustus 1846 geven daarvan eenige bijzonderheden, die te belangwekkend zijn om ze niet te vermelden.
Al de Broeders verlangen verslag van de Brs die staan te vertrekken naar N.-Amerika, n.l. E. Dunnewind ouderl., D. Plasman Diaken, J. Stegeman, H. Kok, Sn. Karreman, H. Oldemeijer met hunne huisgezinnen.
De hoofdzakelijke reden, tot vertrek, geven de vertrekkenden op, als volgd:
a. voor hunne Kinderen Christelijke Scholen te zoeken die Hier niet te vinden zijn.
b. Gods bevel met de belofte in verband: die werkt, zal eten niet vervuld te zien als mede
c.. Geeft den Keizer, dat zijne is onmogelijk te voldoen.
Voor het overige verklaren de vertrekkende Broeders als bijzonder E. D. en D. P. als opzienders der gemeente, gene vrijwillige Losmaking van Zich Zelven: maar bidden: en den Heere en al de Zuchtende gem.n. om mede te trekken, en van consientie bezwaar en van een zuchtend sloom leven bevrijd te worden.
En beloven tevens plegtelijk door ondertekening de last der gemeente vervolgens te willen helpen dragen op zodanige wijze, als Gods woord, en de concientie vorderd.
(w. g.) J. STEGEMAN.
(w. g.) E. DUNNEWIND.
(w. g.) H. OLDEMEIJER.
(w. g.) D. PLASMAN.
(w. g.) H. KOK.
XI.
Het Christelijk onderwijs.
Het onderwijs aan de kinderen werd dus niet vergeten, zooals we boven bij de behandeling van de lotgevallen van den schoolonderwijzer te Rheeze, E. Dunnewind, reeds gezien hebben.
Reeds in de Kerkeraadsnotulen van 18 Juli 1836 is er sprake van onderwijs aan de kinderen. Echter is het niet duidelijk wat hier bedoeld wordt.
Het volgende geeft ons meer grond om te mogen denken aan het bestaan van een Christelijke school. Immers, op 30 November 1838 spreekt men over een broeder "in Rheeze, alwaar het onderwijs der kinder reeds Begonnen was ondier ons, en doch zijn kind ter School zend bij de Hervormden.
Een kwaad vermoeden heeft genoemde Broeder al gegeven toen de Rheezer School vergeven is alwaar hij toen in hunnen raad zich vertegenwoordigde en toen wij tezamen knielend gebeden en daarna gesproken over de wijze hoe best in dezen te handelen ontbrak hij er".
In de Notulen van 2 Augustus 1839 lezen we dat genoemde broeder "alhier verschijnende wordt aangesproken over het zenden zijner kinderen naar 's Lands School, waaromtrent Hij met 2 andere broeders (die vroeger ook hier in Zondigden) bekend hier in het Zondige te erkennen".
Wie onderwijs gaf, wordt nergens vermeld.
Evenals op andere plaatsen andere scholen, zal de school te Rheeze het wel niet zoo lang hebben uitgehouden. Immers, een der redenen welke de broeder E. Dunnewind c. s. opgeven voor hun vertrek naar Noord-Amerika in 1846 is, dat zij "voor hunne Kinderen Christelijke Scholen zoeken die Hier niet te vinden zijn".
Eerst in 1858 heeft men weer een bijzondere school opgericht te Heemse, welke school echter niet langer dan een jaar heeft bestaan.
De Synode van 1837.
De Synode van U trecht, welke zooveel verdeeldheid teweeg bracht in de kring der Afgescheidenen, ging ook aan de gemeente te Heemse niet onopgemerkt voorbij. De Notulen zeggen er het volgende van:
"Sprekende over de bezwaren van de Kerke-ordening, van de opzieners der Gemeente in de Nationale Sinode gehouden te Utrecht dien 28 Septr. 1837, welke bezwaren genoegzaam zijn opgeruimd. Waarnaar nog gesproken is: over de beste pogingen dienstig tot de bevordering van eenigheid en liefde", 2) en verder:
"sprekende over de nog in zwang gaande bezwaren der Kerke ordening en zijn het alle volkomen eens geworden om te waken voor de bevordering van eenigheid." 3)
Het terzijde stellen van de Dordtsch.e Kerkorde in 1837 bracht dus blijkbaar weinig beroering in Heemse.
De Ambtskleeding.
Veel meer wrijving veroorzaakte de zaak van het al of niet dragen van ambtskleding door de predikanten.
Op een kerkeraadsvergadering, gehouden 2 Augustus 1839
"geeft op verzoek den Leerouderling A. C. van Raalte", die tegenwoordig was, "deze redenen welke Hem genoopt hebben het ambtsgewaad af te leggen
1o. om reden Paulus zegt "mitsdien het beeld gekomen is zoo is die Schaduw weggevallen"
2o. om reden Christus spreekt het wee over die onderscheidende Kleederen der Phariseeuwen
3o. om reden allerwege in Gods woord bevolen wordt dat de Broedcrs onder elkanderen een zijn alsmede om reden wij uit de geschiedenis der Kerke leeren dat Christus noch de Apostelen noch ten tijde wanneer er geest en leven in de Kerk gevonden werdt eenig onderscheiden Kleed gedragen werdt;
daarom vond men zoodanig onderscheidingskleed niet in drie eerste eeuwen, ook die tot getuigen voor de waarheid verwekt werden, zelfs de vaders te Dord, alsmede Lodenstein droegen gewone burgerkleederen."
Op de volgende kerkeraadsvergadering 4) geschiedde er "Opgave van plicht en verzuim van" een broeder (hij was de vorige vergadering evenmin aanwezig)
"waaruit een Scheuring wordt veroorzaakt in de Gemeente -
1o. den Kerkenraads verzuim omdat onzen Br. Leerouderling A. C. v. R. in Broedergelijkheid zich steld in kleerdragt
2o. om die zelfde reden dien openbaren predikdienst in de Gemeente en mede de Avondmaalsbedieninge verzuimd
3o. ook den Predikdienst in de naburige Buurtschap Reeze verzuimd
4o. Eenen afgewekenen zogenaamden oeffenaar mede ontboden in de gemeente Buiten Kennisgeving der overige opzieners
5o. Het verzuim van de tegenwoordige vergaderinge alwaar Hij tot verantwoording van zijn doen opzettelijk ontboden is en meer zou er kunnen worden opgegeven.
Hierop is besloten hem kennis te geven zoo hij niet binnen agt dagen verklaard dat als dan de Schorsing in zijne bediening als ouderling voor zes weken is bepaald en verder is besloten den naburigen Kerkenraad te Roepen om hem en zijnen aanhang te vermanen."
Dit geschiedde 1 November d.a.v. Eerst werd een vergadering gehouden.
"Daarna gezamelijk met de vereenigde Broeders uit Ommen de afgewekene in Heemse tehuis bezogt en den geschorsten Broeder Ouderling volkomen ontslagen beschoud van zijn Post en dit navolgens te openbaren in de gemeente."
Na deze beslissing wordt er in twee jaren niet meer van het ambtsgewaad gerept.
Maar als de gemeente een predikant beroepen heeft, komt natuurlijk deze zaak ter sprake. 5)
"Sprekende met elkander over het zoogenaamde tekenkleed voor den Leeraar De Vries, 't welk is: steekhoed, bef en Mantel", staken de stemmen, waarom de zaak werd uitgesteld.
In een volgende vergadering kwam ter sprake het verzoek van Ds de Vries om in het midden der gemeente te mogen "verkeeren zonder de gewoone Ds.kleeren te dragen, 't welk hij dringende verlangde, teneinde de naburige gemeenten niet te beroeren Ommen, Ham, Heldoren".
Evenwel stond de kerkeraad met vele leden der gemeente nog in hetzelfde afwijzende gevoelen.
Tenslotte stelde Ds de Vries voor "dat er enige leden der gemeente en van de kerkenraad naar Ommen zouden gaan 't welk algemeen goedgekeurd is, ten einde er liefde tusschen de gemeenten mochte blijven, waarvoor zijn Eerwaarde bevreesd was volgens twee brieven die Hij daarover reeds van de broeders van Ommen ontvangen had, n.l. van C. G. de Moen Ouderling en E. ten tooren Diaken."
Tevens was er "een brief van Vriezenveen welke ook wenschen dat de Leeraar de kleeren naar oude gewoonte aandoe".
Een kort verslag van deze Classicale vergadering vinden we in de Notulen van de volgende kerkeraadsvergadering.6)
"De Predikant H. de Vries heeft op een Klassiekale vergadering te Ommen 7) ten huize van Ds van Raalte de zaak over het al of niet dragen der gewone Ds.kleeren voorgedragen daarbij gezeijd dat zijn Eerwaarde er tegen was om ze weederom te dragen. Hier over is veel in liefde onderling gesprooken; die leeden uit deze gemeente welke verlangd hadden om de genoemde kleden te dragen Door hunne Leeraar hebben in volle gemoede gezeijd, dat zij het ijdel en nitige nu verstonden bij het ontwikkelen der Zaak van Ds van Raalte.
hiermede hebben ingestemd de leeden der Kerkenraad n.l.: die het ook verlangd hadden: Daarop heeft de Leeraar de Vries een aanspraak gedaan dat hij nu ook verlangde dat de overtuigde leeden der gemeente met de Kerkenraad de andere leeden in de gemeente Heemse welke ook in dat gevoelen stonden dat een Leeraar zulk een kleed moet dragen nu voortaan in liefde te willen onderrichten ten einde de Duivel geen veld moge winnen en alzoo zijn Predikwerk vruchteloos maaken."
Hiermede was voor Heemse de zaak ten einde; althans de notulen gewagen er niet meer van, behoudens in één geval waar bij aan een bezwaard lid eenige jaren later duidelijk werd gemaakt "dat geen kleed; maar getrouwheid geldend" was.
___
2) Kerkeraadsnotulen van 28 Dec. 1837.
3) Kerkeloaadsnotulen van 9 Febr. 1838.
4) Van 20 September 1839.
5) Kerkeraadsvergadering van 25 December 1841.
6) Van 26 Januari 1842.
7) Van 25 Januari 1842.
XII.
CORRESPONDENTIE
van den Gouverneur van Overijssel met den Burgemeester van de gemeente Ambt Hardenberg en den Minister van Binnenlandsche Zaken in April en Mei 1836.
De ijver van Burgemeester van Riemsdijk op 19 April 1836 bij de intbinding van een vergadering van Afgescheidenen te Rheeze (zie artikel III e. v.) zal wel voornamelijk het gevolg zijn geweest van de hieronder volgende circulaire, waarnaar hij in zijn brieven telkens verwijst.
CIRCULAIRE.
Zwolle, den 6 April 1836.
Kabinet, No. 127.
Vertrouwelijk.
Daar het de stellige wil van het hoge Gouvernement is, dat ten aanzien der op sommige plaatsen gehouden wordende vereenigingen tot het houden van Godsdienst-oefeningen, waartoe de toestemming van het Gouvernement niet is verkregen, gehandeld worde naar de bepaling, welke Art. 292 van het Wetboek van Strafregt, ten aanzen der ongeoorloofde bijeenkomsten bevat, en aldus luidt:
"alle ongeoorloofde bijeenkomsten van de aard als bij het voorgaand Artikel zijn vermeld zullen worden ontbonden", terwijl dan nog het tweede lid van dat Artikel, de straf bepaalt, die daar en boven op den dader zal worden toegepast.
Het is derhalve de pligt der administratieve magt om de vergaderingen van voormelde aard van meer dan 20 personen (behalve de huisgenoot en van het huis of gebouw waar dezelve plaats hebben) en die al zoo in Strijd met Art. 291 van het Wetboek van Strafregt gehouden worden, dadelijk na de ontdekking te doen uiteengaan of te ontbinden, voorts proces-verbaal op te maken en ter vervolging aan de betrokken Officier der Regtbank toe te zenden.
Welligt zouden eenige ambtenaren kunnen vermeenen, dat deze laatste verrigting alleen genoegzaam is, doch dit is niet het geval en alle gepaste midd;len moeten aangewend worden, om vergaderingen, zoo als bedoeld worden, te ontbinden, terwijl zulks bij tegenstand des noods door den sterken arm zal moeten worden gedaan.
Ik moet bij eene naauwkeurige waakzaamheid op dit punt, UWEGeborene tevens aanbevelen, om de onder uw bereik zijnde middelen tot ontbinding van dusdanige vereenigingen, met beleid, waardigheid en klem te bezigen, terwijl bij het te kort schieten van zoodanige middelen, ik daarvan dadelijk per estafette kennis verlang te bekomen, ten einde de noodige militaire magt tot hulp te kunnen zenden.
Ingeval UWEGeborene vooraf kennis mogt dragen dat zoodanige ongeoorloofde Godsdienst-oefeningen of bijeenkomsten zullen gehouden worden, en de ter uwer beschikking staande middelen naar uw gevoelen ongenoegzaam zouden zijn, om dezelve te doen uiteengaan, zal ik ingelijks daarvan ten spoedigste uw berigt moeten bekomen, ten einde militairen tot assistentie te kunnen zenden.
Overigens verlang ik in het algemeen dat van alles wat ter voors. zaken voor komt, met den meesten spoed aan mij kennis worde gegeven, onverminderd altijd dat de Processen verbaal tot vervolging aan de Regterlijke autoriteit worde gezonden.
De Gouverneur van de Provincie
Overijssel,
(get.) REGTEREN.
In aansluiting aan zijn brief van 19 April 1836 nr. 171 (zie artikel IV) zond de Burgemeester den volgenden brief aan den Gouverneur:
Heemse den 20en Mei 1836.
Nr. 20-1.
Onderwerp.
Bijzondere vereenigingen tot
het houden van Godsdienst-
Oefeningen.
Op eergisteren ter Buurtschap Rheeze in de Gemeente ten Huize van den landbouwer Gerhardus Veurink aldaar, wederom eene bijzondere Vereeniging tot het houden van Godsdienst-Oefening onder de leiding van zekeren ... van Raalte, zich kwalificerende Predikant bij de Afgescheidenen te Genemuiden en Environs 1) in de Provincie en zullende zijn een Zwager van A. Brummelkamp, gewezen Predikant bij de Hervormden te Hattem, plaats gehad hebbende, waarin geleeraard, gedoopt en getreeden tot de bevestiging van Ouderlingen en Diaconen bij de Separatisten in dezen Omtrek, zonder dat vóór derzelver afloop iets daaromtrent ben te weten gekomen, zo heb ik gemeend, ten gevolge van Deszelfs aanschrijving van d. 6en der vorige Maand, Kabinet No. 127, Uw Excellentie daarvan bij deze te informeeren; zulks niet eerder behoorlijk hebbende kunnen doen, vermits tot op gisteren avond laat niet genoegzaam werd verzekerd aangaande den aard dier Vereeniging en den Naam en kwaliteit van derzelver Leider waaromtrent dan eerst op dat moment uit den Mond van derzelver daarbij mede bevestigde Ouderling Derk Jan Waterink, Landbouwer wonende te Heemse, de bevestiging bekwam en bij welken (wetende andere des ondervraagden niet te zeggen, dan er is gepredikt, gedoopt en bevestigd door eenen zwager van Brummelkamp van Hattem ten huize van Gerhardus Veurink te Rheeze) dienaangaande eerder te inkwireeren 2) mij buiten staat bevond, vermits zijne absentie gedurende den Loop van den dag van gisteren naar de Veenen ter dezer Branding voor de Boekweit-culture, en des zelfs retour eerst van daar naar Zonnen-Ondergang.
Verblijvende hiermede onderdanigst
De Burgemeester der Gemeente
het Ambt Hardenbergh.
(get.) ANT. VAN RIEMSDIJK.
Aan Z.E. den Heer Gouverneur
der Provincie Overijssel, reside-
rende te Zwolle.
Het antwoord op deze brief luidde:
den 21 Mei 1836
Kabinet No. 179.
Verbodene godsdienstige
bij eenkomsten.
Aan den Heer Burgemeester van
het ambt Hardenberg.
In antwoord op uwen brief van den 20 dezer no. 204, is dienende dat ik moet vertrouwen dat van het plaats gehad hebbende te Rheeze op den 18 dezer procesverbaal zal opgemaakt en ter vervolging aan den Heer Officier bij de Regtbank van 1en aanleg te Deventer, verzonden zijn, terwijl, indien zulks onvermoedelijk mogt zijn verzuimd, dit alsnog zal behooren te geschieden.
De Gouverneur,
(get.) RECHTEREN.
Maar bij deze correspondentie bleef het niet.
Ook de Minister van Binnenlandsche Zaken werd in de zaak gemoeid, zooals uit het onderstaande afschrift moge blijken:
Aan Z.E. den Minister van
Binnenlandsche Zaken.
Ik heb de eer hiernevens aan Uwe Excellentie te doen toekomen afschrift eener missive van den Burgemeester van het Ambt-Hardenberg van gisteren houdende kennisgeving van eene op den 18 dezer plaats gehad hebbende ver bodene godsdienstige bijeenkomst in die gemeente.
Het zal Uwe Excellentie hieruit blijken dat het meermalen moeilijk is, dusdanige bijeenkomsten te beletten of te ontbinden daar dezelve in afgelegene buurten gehouden wordende, eerst bekend worden wanneer dezelve hebben plaats gehad en ook wanneer zulks al bekend mogt zijn, niet dadelijk de militaire magt bij de hand is om des noods de hand te leenen.
Zoolang er alzoo geene militaire troupes meer dan thans in dit gewest beschikbaar, en mij geene bevoegdheid verleend zal zijn om dezelve garnizoen te doen houden in die streek en alwaar de verbodene godsdienstoefeningen meest gehouden worden, (zo als thans in de omstreeken van den Hardenberg schijnen te worden, en welke plaats acht uuren van Zwolle is gelegen, intusschen door middel eener zware zandweg de gemeenschap tusschen beide plaatsen bestaat), zal meestal de tusschenkomst van het openbare bestuur te laat komen of ongenoegzaam zijn, waar van ik mij verpligt heb gerekend Uwe Excellentie kennis te moegen geven.
Bovendien wordt het zeer gering getal in Overijssel beschikbare troupen van tijd tot tijd door de autoriteiten in Gelderland gerekwireerd, hetwelk, aangezien de Overijsselsche garnizoensplaatsen alle digt aan de Geldersche grenzen liggen, maklijk voor die autoriteiten is,
doch veroorzaakt dat deze provincie alsdan, en zonder dat er bij mij eenige kennis van word gedragen, geheel zonder beschikbare manschappen kan blijven, in de stad Zwolle reeds herhaald is geweest.
De Gouverneur,
(get.) RECHTEREN.
In artikel VII schreef ik dat van den toenmaligen Gouverneur van Overijssel wordt verteld dat hij aan den Koning zou hebben te kennen gegeven, dat hij niet zou kunnen medewerken aan de uitvoering van de scherpe maatregelen tegen de Afgescheidenen en zijn ambt liever beschikbaar stelde indien deze vrijheid hem niet gelaten werd.
Een volledige bestudeering van de daarop betrekking hebben de stukken in het Provinciaal archief te Zwolle en in het archief van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken te Den Haag zou hier waarschijnlijk meer licht kunnen verschaffen.
Toch schijnt deze bewering veel waarschijnlijks in te houden..
De autoriteiten in Gelderland blijken in elk geval een royaler gebruik te hebben gemaakt van de troepen uit de overijsselsche garnizoensplaatsen(Kampen, Zwolle en Deventer), dan de autoriteiten in Overijssel. Het is misschien geen vraag of de autoriteiten in Overijssel niet precies hetzelfde hadden kunnen doen als de geldersche, die de troepen uit andere provincies eveneens gebruikten om de noodige "verlichtheid" in hun gewest, desnoods met de gewapende macht, te behouden.
Hardenberg e. o. lag 8 uren van Zwolle en was slechts langs zandwegen bereikbaar. Evenwel was het slechts 3 uur van de garnizoensplaats Coevorden verwijderd. Waarom was van daar geen hulp te bekomen?
___
1) Omstreken.
2) Een onderzoek instellen.
_____
XIII.
Nogmaals Meister Dunnewind.
Het adres dat Dunnewind met eenige andere personen te Rheeze aan den Burgemeester zond (zie de artikelen VIII en IX) waarbij zij verzochten dat door den onderwijzer godsdienstonderwijs mocht worden gegeven, ligt in het Provinciaal archief te Zwolle. Het luidt als volgt:
Rheeze den 1 November 1837.
Aan de Edele Achtbare Heeren
opzieners van het lager onderwijs.
Wij ondergetekende ingezetene te Rheeze Gemeente het Ambt Hardenberg 5 Schooldistrict Prov. Overijssel Smeeken ootmoedigst van UE. Achtb.e Heeren dat onze Kinderen mogen worden onderwezen; naar den Eed door ons afgelegd bij den Heiligen Doop, en voor God in de Gemeente belooft, bij den H. Doop, om dezelve te doen, te helpen, en te laten onderwijzen in de voorzeide leer en het thans bestaand onderwijs op de lagere scholen sluit het leerstellige van elke Reliegie uit; en dus voor elke reliegie onnut (Zie Mr. G. Groen van Prinsterer 2) bladz. 9, 10, 11). En wij nemen dus de vrijheid te vragen om vrijheid van onderwijs zoowel als vrijheid van geweten om dat hier tusschen een onverbreekbare band bestaat.
(Zie blz. 13 van Gem.e Schrijver.) 2)
De Bijbel en deszelfs leer is ons en onze Kinderen gegeven (Moze) en die getuigd van Christus, in welken wij bekenden onze Kinderen geheiligd te zijn bij den Heiligen Doop.
Deze boven verzochte vrijheid wordt ernstig aangedrongen door de mede ondergetekende, Schoolm. E. Dunnewind, die niet langer in strijd kan staan met zijn geweten tegen God, Eed, Plicht, en Ouders; om de onnozele het Kindergoed te onttrekken daar Jezus zegt verhinderd ze niet en dus het betaamt hem, Gode meer dan den mensch te gehoorzamen.
(get.) E. DUNNEWIND.
Hk TIMMERMAN.
H. LAMBERINK.
B. SCHOLTEN.
G. J. BRIL.
H. VEURINK Gs Z.
Mn DUNNEWIND.
Spottend smaalde de Schoolopziener, naar aanleiding van dit verzoek, in zijn brieven van 7 en 12 November, resp. aan de Provinciale Commissie van Onderwijs en aan den Gouverneur, dat Dunnewind, "vroeger de ijverigste onderwijzer, nu verslapt sedert enige jaren, zich beurtelings op Groen van pinxsteren en Mozes beroepende, verzuimt zelfs het boek van den pentatuichus te noemen, in hetwelk hij vermeent dat over de inrigting van het onderwijs in het Koninkrijk der Nederlanden gehandeld wordt."
De geschiedenis van de schoolstrijd is er om te doen zien welk een strijd het christelijk volksdeel heeft moeten voeren om, tegen deze vooroordeelen in, de vrijheid van onderwijs (naast de vrijheid van geweten en van godsdienstoefening) te veroveren voor het Nederlandsche volk, om zijn kinderen te kunnen opvoeden in de vreeze des Heeren. Het geslacht van bestrijders van deze vrijheden is nog niet uitgestorven, terwijl vele verdedigers hun wapenen kwijt zijn of hebben laten verroesten en zoo gevaar loopen zich deze vrijheden stuk voor stuk te laten ontfutselen.
Daarom verdient het Rheezer adres nog steeds de volle aandacht.
Landverhuizing 3) der Afgescheidenen.
Volgens de Staat van landverhuizingen 4) die jaarlijks aan den Gouverneur werden opgegeven, vertrokken in de maand September 1846 verschillende Afgescheidenen uit Heemse e. o. en Roomsch-Katholieken uit Slagharen e. o. naar Canada met als plaats van aankomst Nieuw Orleans, in de hoop (zooals het in het stuk heet) "van het vooruitzicht op een beter bestaan aldaar". Als bijzonderheid wordt hierbij vermeld dat
"de verhuizing van de Roomsch Catholieken ontstaat enkel om elders een beter bestaan te vinden, - de Gereformeerden zijn alle afgescheidenen wier vertrek mede aan Godsdienstijver is toe te schrijven".
In 1846 vertrokken 6 afgescheiden gezinnen, samen 35 personen, waaronder de familie Egbert Dunnewind. Van die gezinnen was de helft "welgesteld", de helft "min gegoed"; voorts ging 1 behoeftig persoon van 66 jaar mee, die van beroep kleermaker was.
In 1847 vertrokken nog 4 afgescheiden gezinnen, te zamen 23 personen, naar Amerika. Hierbij worden als bijzonder opgegeven redenen behalve "Godsdienstijver" genoemd: "meerdere Vrijheid en drukkende Belasting waaronder ook het Schoolfonds onder de afgescheidenen".
Van deze gezinnen was 1 welgesteld, 2 min gegoed en 1 behoeftig.
De hoofden van de in deze jaren vertrokken gezinnen waren alle landbouwers, behalve een die winkelier was.
De Voorzanger.
In de Kerkeraadsvergadering van 13 Augustus 1841 werden de broeders Lucas Hilberink, Hk. Veurink, Derk Veurink en E. Dunnewind belast om beurtelings bij het uitoefenen van den openbaren godsdienst als "voorzinger" te fungeeren. De eersten waren later meer "voorzanger in nood of hulpe- en medezanger".
In de vergadering van 2 Juni 1847 verlangde ds. de Vries dat Voorzanger en Voorlezer staande hun werk zouden verrichten. "Eenige br. hebben er bezwaar in of het n.l. niet leid tot hoogmoed. De Leeraar zegt word het openbaar dan zijn zij te betraffen", waarna dit voorstel werd goedgekeurd.
Elke tijd heeft zoo zijn problemen. Het heeft in de laatste jaren hier en daar nog al wat moeite gekost om den Voorzanger en Voorlezer als onmisbaar ornament uit de eeredienst te doen verdwijnen en men zou in sommige gemeenten niet kunnen jubelen zonder, behalve naar het orgel, nog naar een zang-gangmaker als inspireerend element op te blikken.
Voor honderd jaar evenwel liet men in Heemse den Voorzanger-Voorlezer zittende zijn werk verrichten om den man voor opwellingen van hoogmoed te vrijwaren. Zou het thans niet zonder gevaar zijn om den predikant alleen het woord te laten?
___
2) Hier is bedoeld: Mr. G. Groen van Prinsterer, "De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsregt getoetst", Leiden, 1837.
Groen schrijft hier: "Vrijheid van geweten, vrijheid van Godsdienstoefening, vrijheid van onderwijs, hiertusschen is eene onverbreekbare band. Eerst dan wordt die miskend wanneer men in de geloofsleer, in plaats van de grondslag van het onderwijs en de ziel der opvoeding, slechts een op zich zelf staand gedeelte van het onderrigt ziet; hetwelk aan de deskundigen, de leeraars der gezindheden, overgelaten en voegzaam in één uur 's weeks afgedaan wordt."
2) Zie art. X.
4) Schrijven van 9 en 1 0 Febr. 1848, nr. 38.
XIV.
Bidden en vasten.
In de gemeente van Heemse had men de mooie gewoonte wanneer men een predikant zou gaan beroepen of wanneer men bepaalde moeilijkheden had op te lossen, van te voren een vasten- en biddag te houden, met het doel Gods zegen en leiding af te smeeken en opdat Gods wil zou mogen openbaar worden. De gemeente werd dan gewoonlijk samengeroepen om een godsdienstoefening te houden.
Het knielend bidden was in deze tijd nog niet in onbruik. Men beschouwde dit nog meer als een passende vernedering voor den Hemelschen Vader dan als een paapsche stoutigheid, zooals sommigen in onze dagen dit voorstellen.
De Kerkeraadsnotulen van 26 September 1841 vermelden een bijzondere gebeurtenis die in dit verband te belangrijk is om niet over te nemen.
We lezen:
"Eene opwekkinge ontvangen van de Schotsche Broeders 2) tot eenige dagen af te zonderen met vasten en bidden: met beöoginge: uitstorting des H. Geestes tot ingang der Heidenen, om de zaligheid van Israël, en in 't bijzonder tot de Heerlijkheid van Gods rijk op aarde.
Welke dagen bestemd zijn den 2den October tot vasten en bidden en den 3 tot en met den 10 alle dag twee Biduuren, 's morgens van 8-9 en 's avonds van 8-9 uur, en den 11 bepaald tot een geheele dankdag.
Deze opwekking erkennen wij hoogst billik en plichtmatig en delen er mede in, op volgende bepaling.
Zaturdag den 2de Gezamelijk met de volle gemeente af te zonderen, met de Boven genoemde Broeders in vasten en bidden tot middag om reden (een halve dag) drukke zaaitijd en Sabbatskrenking. 3) en volgende dagen de avonduuren in ieder Buurtschap te Samen Biddende met de Broeders ons te vereenigen onder beöoginge van boven Gemelde zaken.
Dankend besloten."
Oordeel over de Afgescheidenen in 1837 en 1840.
De Afgescheidenen en de Vaccinatie.
Burgemeester van Riemsdijk (die o. m. ook de dokterspraktijk uitoefende) schreef in het Gemeenteverslag van 1837:
"Veele hindernissen met relatie tot de uitvoering der eerstbedoelde Konstbewerking werden intusschen vanwegen den Separatisten in den weg gelegd."
Hij had nog meer de commandeerende toon van den franschen gendarm uit de napoleontische tijd te pakken.
Zijn opvolger, Burgemeester Kremer, ook een Hardenberger, oordeelt in het Gemeenteverslag van 1840 integendeel:
"Dezelve vind in deze Gemeente geen de minste tegenstand."
Ook latere Gemeenteverslagen geven nergens aanleiding voor de meening dat er bij de Afgescheidenen een bepaalde oppositie was tegen de vaccinatie.
De Afgescheidenen en de Burgerlijke Overheid.
Het Gemeenteverslag van 1838 vermeldt:
"Er zijn wel dissentiërende Individu's, doch geene dissentiëerende Kerkgemeentens, in deze Burgerlijke Gemeente gevestigd.
Te aanzienlijk intusschen, speciaal onder de Kerkgemeente van Heemse was en bleef ter Gemeente 4) het getal der zogenaamde Separatisten onder de Leiding van eenen van Raalte, vroeger te Genemuiden, nu te Ommen gevestigd, dan dat wij hetzelve alhier zouden kunnen voorbijgaan, zonder daarvan met Leedwezen te gewagen.
Het zoude intusschen niet hebben blijven missen, dat niet de meer verlichte denkwijze van de opgemelde Heeren 5) L. Bosch en S. Coldeweij, bij continuatie, van gunstige Invloed op de Denkwijze der Gemeente, ofschoon door haar Situatie op de Grenzen van Duitschland soms nog aan de aldaar heerschende meer donkere Stellingen en Vooroordeel en gehecht, zoude gebleven zijn, ware het niet dat van het te dezen verpeste Ommen 6) de geest van het voormelde Separatismus naar herwaards door de veele nabuurlijke en familie-Betrekkingen tegen alle verwachting dagelijks overgeplant was gebleven."
Het Gemeenteverslag van 18-10 vermeldt o. m.:
"De zeer verlichte denkwijze van genoemde Heeren Predikanten influenceeren allergunstigst op die der Gemeente, wordende deze verdienstelijke en brave mannen door een ieder bijzonder geacht; het is intusschen te betreuren dat zich eenige personen reeds vroeger hebben afgescheiden en thans een christelijke afgescheidene gemeente zullen uitmaken."
Bij vergelijking van de Gemeenteverslagen van 1837 en 1840 treft ons het verschil in toon ten opzichte van de Afgescheidenen en de beoordeeling van hen.
Lag dit verschil misschien voor een groot deel aan den persoon die het verslag opstelde, aan de andere zijde waren in een paar jaren de beschouwingen omtrent deze anders- en zelfstandig-denkende Nederlanders sterk gewijzigd. Men was langzamerhand vertrouwd geraakt met de gedachte dat de door het drijven der Hervormde Synode buiten de "Vaderlandsche" Kerk geraakte groep niet meer in de schoot der Kerk zou terugkeeren, welk feit men nu slechts nog. kon betreuren.
___
2) Men denke hierbij o. a. aan Thomas Chalmers en de later opgerichte, met zijn naam verbonden, Evangelische Alliantie.
3) 's Zaterdags was en is men gewoon bepaalde werkzaamheden in het voren te verrichten om de werken van noodzakelijkheid op de Zondag zooveel mogelijk te beperken.
4) D. w. z. Hervormd, maar wat stond buiten de officieele Ned. Herv. Kerk.
5) Resp. hervormd predikant te Hardenberg en te Heemse.
6) Ommen was in de eerste jaren der Afscheiding het Jeruzalem van Overijsel.
XV.
Naar de erkenning en toelating als een Christelijke afgescheidene gemeente.
In de eerste artikelen hebben we gezien hoe en wanneer de Kerk van Heemse weer tot openbaring kwam.
Thans willen we de verdere ontwikkeling van de gemeente in de eerste jaren na de Afscheiding nagaan.
De eerste kerkeraadsvergadering, waarvan notulen zijn gemaakt, werd gehouden op 18 Juni 1836. Op deze vergadering waren mede tegenwoordig van de Kerkeraad van Ommen de broeders J. Bosch, D. J. Kleinjans en J. Schepers. Ter sprake kwam o. m. met betrekking tot een broeder "het zeldzame bijwonen der onderlinge bijeenkomst naar dien deze toch tegenwoordig den Kerkelijken Godsdienst uitmaakt, dewijl toch de meeste gemeenten Herderloos zijn".
Meestal trad in de bijeenkomsten iemand als oefenaar of voorlezer op; een enkele maal kwam er een predikant over. Het kasboek vermeldt dat op 4 Juni en 13 November 1836 ds. van Raalte door een voerman werd gebracht.
De Kerkeraadsleden deden geregeld huisbezoek. Zij "die niet behoorden tot de leden of de leerlingen werden opgewekt tot het doen van belijdenis of tot het leeren". Het aantal leden van de Kerkeraad werd uitgebreid door de verkiezing van Jan Hofsink te Heemse en Marten Jansen te Aane tot ouderlingen.
Marten Dunnewind, timmerman te Rheeze, een broeder van Meister E. Dunnewind, was kerkmeester. Als zoodanig werden in November 1837 aan hem toegevoegd: H. J. Bolks te Heemse en J. H. Schrotenboer te Collendoornerveen.
Deze broeders gingen over de financiën en regelden de kerkdiensten in de verschillende buurtschappen, want men vergaderde op verschillende plaatsen tegelijk, o. a. in Collendoornerveen en te Heemse of Rheeze.
De gemeenteleden die dichter bij de Dedemsvaart woonden mochten daar de bijeenkomst bezoeken. Om de eenheid te bevorderen moesten de ouderlingen reeds spoedig beurtelings te Collendoornerveen de bijeenkomsten bijwonen.
Daar er steeds nog verdeeldheid bleef bestaan tusschen die van Collendoornerveen en van Heemse, besloot men in Januari 1839 op 's Heeren dag minstens één maal en wel beurtelings in een der beide plaatsen samen te komen.
Reeds in Februari zag de Kerkeraad met dankbaarheid dat mede hierdoor de eenheid in de gemeente ten zeerste werd bevorderd.
Eindelijk in Mei 1839 besloot men "om gedurig met de volle gemeente bijeen te komen tot voorkoming van tweedracht".
In Maart kwam men overeen om in de gemeente vrijheid te laten voor ieder om naar Ommen onder de openbare prediking des Woords op te gaan, maar dat de opzieners der gemeente beurtelings te Heemse moesten blijven.
Men verlangde dus zeer naar de openbare prediking des Woords en de behoefte aan een geordend kerkelijk leven en een volledige herderlijke bearbeiding was zeer groot.
Allerlei moeilijkheden deden zich in het begin en in de eerste jaren voor.
Zoo had een lid van de gemeente een "kind bij de hervormden" laten doopen, "met vervloeking der gemeente uit Ps. 64 vs. 5: 't Is 't kwaad, waarin z' elkander sterken, enz.", welk vers de hervormde predikant als zeer toepasselijk op deze doopsbediening had gemeend te moeten opgeven. (Not. kerkeraad 28 Mei 1840.) Een andere broeder uit Collendoornerveen meende dat zijn vrouw betooverd was, terwijl "hij tegen veel vermaning der opzieneren onophoudelijk correspondeerd en medicineerd met eenen Gochelaar of Duivelbander tot er eindelijk een kind geboren word, waar bij het huisgezin uitroept geen kind maar een toverstuk waarnaar het kind binnen eenige dagen sterft", enz,
(Het geloof hechten aan tooverij kwam omstreeks 1840 in deze hoek van Overijssel nog al eens voor.)
Deze en andere leden werden tenslotte van de gemeente afgesneden.
De gezinnen gingen niet altijd in hun geheel tot de Afgescheidenen over. De jonge menschen wilden voor een deel niet mee opgaan; de verandering van de ouders veranderde de kinderen nog niet. De jonge menschen brachten in die tijd veelal een gedeelte van de Zondag in de kroeg door. De Hardenberger kermis, die in het einde van Augustus werd gehouden, werd door hen druk bezocht. Veel moeite werd er aangewend om de jeugd ook mee te krijgen. Dit dwong de ouderlingen tot veel huisbezoek.
De kerkeraadsleden waren het onderling ook niet altijd eens. Psalm 133:3 werd op menige vergadering gezongen.
De nood der Kerk had deze gemeente bij elkaar gebracht, maar men miste de vaste geregelde leiding van een predikant. Het leven in de "schuilkerk" kon de gemeente tenslotte niet bevredigen. Dit wil echter niet zeggen dat men hier geheel zonder predikant was.
Immers tot het bedienen van de H. Sacramenten, bij andere gelegenheden, bij geschillen in de gemeente, bij tuchtzaken enz. kwam ds. v. Raalte over uit Ommen. Hij had ook de gemeente te Heemse onder zijn leiding, maar bezocht haar niet zoo vaak.
Daarom besloot de Kerkeraad: 2)
"sprekende over den nodigen dienst van onzen leeraar in deze Gemeente voornamentiijk tot de bedieninge der H. Sacramenten te meer om de begeerte der Samaritaansche Hondekens uit de Graafschap Bentheim om dringende onzen Leeraar te verzoeken om den eerst mogelijken Zondag tot ons te komen te meer dewijl onzen leeraar een tijd van ruim tien maanden in onze gemeente niet is geweest".
(Uit de Graafschap Bentheim kwamen vroeger velen ter kerk in Heemse en andere grensgemeenten.)
Het traktement van ds. van Raalte bedroeg in 1837 f 52.-; gedurende de jaren 1838 en 1839 ontving hij f 16.25 per kwartaal. Verder vinden we een paar malen een post uitgetrokken voor boeken. 3)
___
2) Kerkeraadsnotulen van 29-3-1839.
3) Zie het kasboek.
XVI.
Naar de erkenning en toelating als een Christelijke afgescheidene gemeente. (Vervolg.)
Daar de leiding van Ds. van Raalte geen geregelde bediening beteekende en men sterk de behoefte aan een eigen kerkgebouw begon te gevoelen, kwam de quaestie van het vragen van vrijheid aan Z. M. den Koning vanzelf ter sprake. Men besloot 2) hiertoe en wenschte er tevens spoed achter te zetten; een besluit,
"waarin Broeder ouderling M. Jansen enige zwarigheid ziet, door afstand bij dezen te doen van tempel en den naam gereformeerd en vreest dat de eere Gods in dezen zal gekrenkt worden waarover wij te zamen hun krachtig hebben zoeken te overtuigen, dat wij voor Gods Richterstoel niet behoeven te verantwoorden naam en tempel maar den strijd voor het geloof."
Staande de vergadering werd er een vrijwillige inteekening gehouden tot een bedrag van f 126.75. 3)
Het adres werd 18 Juni ingezonden. Na eenige maanden verzocht 4) de Gouverneur aan den Burgemeester om nader
"Berigt op een Adres van een aantal Ingezetenen der Gemeente, Afgescheidenen van het Hervormd Kerkgenootschap, aan Z. M. den Koning, strekkende om toelating als eene Gemeente van afgescheidene Christenen, volgens de verklaring en voorwaarden hunner Utrechtsche Geloofsgenoten",
waarop de Burgemeester het volgende in zijn schrijven van 2 Nov. 1839, nr. 350, meldde:
"Onder retour van het hierbijgaand Advies van een aantal Ingezetenen dezer Gemeente, afgescheidenen van het Hervormd Kerkgenootschap ter dezelve, in dato den 18 Junij dezes Jaars aan Zijne Majesteit, den Koning, gepresenteerd en strekkende ter bekoming van toelating als eene Gemeente van afgescheidene Christenen, volgens de verklaring en voorwaarden hunner Utrechtsche Geloofsgenoten, heb ik de eer Uw Excellentie, ten gevolge van Deszelfs Aanschrijving van den 21en der vorige Maand, Kt. No. 257., door deze te berigten:
1o. Dat, de plaats door Adressanten aangeduid tot het houden hunner Gods dienstige bijeenkomsten (het Huis van Roelof Bolks, 5) thans bewoond door J. Hofsink - te Heemse - in de Gemeente, Kadastraal bekend onder Sectie B., No. 726.) ja tot die bestemming voor hun genoegzaam geschikt zal zijn, doch dat hetzelve linea recta slechts op eenen afstand van 200 Ellen gelegen zijnde van het openbaar Kerkgebouw der Hervormden te Heemse en aan den openbaren weg of toegang tot hetzelve, deze omstandigheid bij dezelve Hervormden niet weinig ergernis zal komen te verwekken en door dien het Gezang derzelve Afgescheidenen alzo in hetzelve Kerkgebouw zal kunnen worden gehoord en door dien zich alzo telken Zondag en elken anderen Godsdienstigen Feestdag ter hunne respective Godsdienstige bijeenkomsten ter zelfde Uren opgaande of daarvan uitkomende, daartoe in deszelfs directe nabijheid zullen ontmoeten.
2o. Dat (hebbende zo over het jaarlijks bedrag van Kosten van derzelver Eeredienst als die van verzorging derzelver Armen moeten ondervragen de bij het Adres, als Regeerouderlingen en Diakenen genoemde, meede) Adressanten J. Hofsink, E. Dunnewind, E. Kolkman en G. Schrotenboer, mij de eerste bepalende op f 60.- jaarlijks en de tweede op eene tot hiertoe uiterst geringe varieerende Som, als alleen dienstbaar ter temporaire ondersteuning van hunnen meede-Adressant A.... M...., Arbeider, wonende onder Heemserveen aan de Dedemsvaart, en uit wiens mond wel eens vroeger heb mogen horen dat door zijne Geloofsgenooten ten zijnen genoegen en voldoende werd ondersteund)
het daarvoor moeten houden, dat de Adressanten, derzelver respective Vermogens, voor zo verre mij bekend, in aanmerking nemende, in staat zullen zijn om aan hunne belofte van verzorging der Kosten van derzelver Eeredienst en tot het onderhoud hunner Armen te voldoen.
3o. Dat de voormelde J. Hofsink, E. Dunnewind, E. Kolkman en G. Schrotenboer, bij gelegenheid hunner voormelde Ondervraging mij hebben te kennen gegeven, dat ter wegneming van de sub 1o. hier voren aangegevene Ergernis, voor de Hervormden te Heemse voort te vloeijen uit het houden hunner Godsdienstige bijeenkomsten in de Woning van den eerstgenoemden hunner J. Hofsink ten Dorpe Heemse (Sectie B., No. 276.),6) gaarne zouden wenschen, dat door Zijne Majesteit hun daartoe werd aangewezen en vergund het woonhuis van den tweeden hunner E. Dunnewind 7) ter Buurtschap Rheeze in de Gemeente (Kadastraal bekend ter Sectie K, onder No. 580a., zijnde op nagenoeg 1 Uur gaans van het Kerkgebouw der Hervormden te Heemse verwijderd) en welk laatstgemeld Woonhuis dan door de Berigtgever ook daartoe even, en uit voorschreeven Hoofde, nog beter geschikt werd geoordeeld.
Verblijvende hiermeede onderdanigst."
De inrichting van een kerkgebouw en het beroepen van een eigen predikant.
In afwacnting van de goedkeuring van het adres besloot men 8) "eene algemeene intekening te doen voor drie gewichtige zaken: 1o. Een Huis Gods, 2o. Een Huis voor een Leeraar, 3o. en een Leeraar; omdat (door) de nalatigheid van deze zaaken de kaarse onder de koornmate en de Stad Gods onder den Berg gesteld worden".
Een commissie hiervoor benoemd bestond uit Gerhs. Schrotenboer, F. Moddejonge en M. Dunnewind.
Een week later vergaderde men met ds. van Raalte. Men ging de plannen nu verder uitwerken. Overwogen werd of men wel de vrijheid had een dienstdoend leeraar te beroepen.
Van Raalte protesteerde er echter sterk tegen om een andere gemeente te verwoesten en de eigene te planten, daar dit in strijd zou zijn "tegen de twede Tafel der wet en dus tegen den geopenbaarden wil van God".
Men besloot daarom eerst een algemeene vasten- en bededag te houden "of uit dezen den vollen wille Gods mogt openbaar worden".
Vervolgens werd ds. P. P. de Wit te Apeldoorn (Het Loo) beroepen, die evenwel bedankte in een uitvoerig schrijven, 9) dat in zijn geheel in de notulen werd opgenomen.
Inmiddels werd door de gemeente aangekocht van Hk. Lenters het destijds door G. Breukelman bewoonde plaatsje, genaamd "Het Veldsink" te Heemse, voor de som van f 1600.-.
Het kwam te staan op naam van H. Timmermans te Rheeze die tezamen met Marten Dunnewind het perceel had gekocht.
Men bevond dat het goed zou kunnen worden hersteld tot een kerk en een pastorie.
Daartoe werd een inteekening opengesteld in November 1840, waarbij door 52 personen werd bijgedragen de som van f 1461.-. Hiervan werd ontvangen een bedrag van f 1240.40.
De grootte van het kerkgebouw werd vastgesteld 10) op 50 X 27 voet.
Men zou zelf het timmerwerk verrichten en het metselwerk aanbesteden. 11) Men nam f 1000.- op rente, waarvoor 4 broeders tot borg werden benoemd.
Men besloot tevens 40 of 50 stoelen aan te koop en om die te verhuren. De verhuring van stoelen en banken, welke de eerste maal voor 11/2 jaar geschiedde, bracht f 89.- op.
In Augustus 1841 werd het kerkgebouw voltooid. Het huis tegenwoordig bewoond door koster Klement, is nog een gedeelte van het vroegere bedehuis.
___
2) Kerkeraadsnotulen van 21- 5-1839.
3) Zie het kasboek.
4) Kabinet No. 257.
Zwolle, 21 September 1839.
Met toezending van een adres van een aantal ingezetenen uwer gemeente strekkende om toelating als eene gemeente van afgescheidene Christenen, volgens de verklaring en voorwaarden hunner Utrechtsche geloofsgenoten, verzoek ik UWed. mij met weder overlegging van dat stuk te onderrigten of de plaats door de adressanten aangeduid tot het houden hunner Godsdienstige bijeenkomsten tot die bestemming geschikt zoude zijn, en geen hinder toebrengen aan de uitoefening van andere eerediensten, alsmede of men eenigszins kan vermoeden dat de adressanten zouden in staat zijn om aan hunne belofte van verzorging der kosten van derzelver eeredienst, en vooral tot onderhoud van derzelver armen te voldoen.
De Gouverneur van de provincie
Overijssel,
w. g. RECHTEREN.
5) Tegenwoordig bewoond door J. Slotman aan de Eschweg.
6) Lees 726.
7) Tegenwoordig bewoond door J. Stoeten.
8) Kerkeraadsnotulen van 19-3-1840.
9) Kerkeraadsnotulen van 15-6-1840. Hij wilde wegens lichaamszwakte de bediening tijdelijk neerleggen.
10) Kerkeraadsnotulen van 24-2-1841.
11) Het kasboek noemt als leveranciers: De Moen (steenen) en Makkinga (hout) te Ommen, F. H. Scheffer (verfwerk) te Heemse, wed. Sierink (ijzerwerk) te Hardenberg e. a.
XVII.
De erkenning en toelating als een Christelijk afgescheidene gemeente.
Het was intusschen reeds meer dan anderhalf jaar geleden dat het verzoekschrift tot erkenning en toelating door de gemeente was ingezonden, toen de Burgemeester het volgende schrijven 2) van den Gouverneur ontving.
Het in der tijd door Jan Hofsink c. s. ingediende verzoekschrift, om toelating tot eene afgescheidene Christelijke Gemeente, is door Zijne Excellentie den Minister van Staat, belast met de generale directie voor de Zaken der Hervormde Kerk enz., te onvolledig beschouwd, om tot eene gunstige beschikking in aanmerking te kunnen komen, als ontbrekende bij hetzelve de stukken, als bijlagen, gevorderd bij Z. M. besluit dd 9 januarij 1841 3) No. 23 (Staatsblad No. 2), weshalve de bedoelde adressanten, zoo zij volharden bij hun verlangen om als Gemeenten van afgescheidene Christenen te worden toegelaten, zich nader aan den Koning zullen behoren te adresseren, met inachtneming der bepalingen van Zijner Majesteits aangehaalde besluit, zullende de naamteekeningen van adressanten door den Burgemeester moeten gecertificeerd zijn. Ik verzoek UEd., de belanghebbenden daarvan te willen onderrigten, onder mededeeling zoo veel noodig van den inhoud van gemeld Koninklijk besluit, en het geven van Zoodanige inlichtingen als Zij ten dezen zouden wenschen en behoeven.
In verband met dit schrijven werd op 24 Maart een nieuw request 4) bij Z. M. den Koning ingediend, dat geteekend werd in tegenwoordigheid van den Burgemeester.
Toen dit request na eenige tijd bij den burgemeester terugkwam om advies, verzond deze het volgende schrijven:
Berigt op een rekwest
van Afgescheidenen te
Heemse.
3 bijlagen.
Heemse, den 3 Mei 1841.
In voldoening aan Uwer Excellenties apostilaire dispositie, van den 23 der vorige maand, 1e Afdeeling, no. 1687, waarbij ten fine van berigt en consideratien in onze handen wordt gesteld, een rekwest van afgescheidenen in het Ambt Hardenbergh, verzoekende, om als eene Gemeente te worden toegelaten, hebben wij de eer met terugzending van Stukken te dienen:
Dat de Rekwestranten en ondertekenaren, zich hebbend afgescheiden van het hervormd kerkGenootschap, om reden hen daartoe moverende, en allen zijn wonende in deze Gemeente, en daarom verzoeken, als eene christelijke afgescheidene Gemeente in de Burgerlijke Maatschappij te worden erkend en toegelaten.
Dat zij tot eventueele uitoefening van hunnen Eeredienst in het dorp Heemse hebben aangekocht, een woonhuis, het veldsink genaamd, Sectie B No. 1198, hetwelk behoorlijk ingerigt, daartoe zeer geschikt en groot genoeg is, voor eene gemeente van slechts 57 zielen, welke mogelijk nog met een twintigtal zal worden vermeerderd, uit de Gemeenten Stad Hardenbergh, en Gramsbergen, zijnde dit woonhuis ongeveer 230 ellen afstands verwijderd van het kerkgebouw te Heemse en wat betreft deszelfs ligging, behoeft men voor geen hinder in de uitoefening van den Godsdienst in dat Kerkgebouw, of stoornis der publieke orde en veiligheid te duchten.
Dat de verklaring, nevens het rekwest gevoegd, en gevorderd bij La. b. van Z. M. Besluit van den 9 januarij No. 2 is afgegeven, door den Burgemeester dezer Gemeente, op verzoek der gezamenlijke rekwestranten.
Dat echter door hun niet schijnen te zijn overgelegd, de bijlagen, vermeld onder Las. a - c en d, zoodat wij omtrent deze stukken niet kunnen berigten, of zij op den duur het bepaalde bij La. c wel zullen nakomen, moet de tijd leeren, daar er onder alle de rekwestranten slechts twaalf personen gevonden worden, welke als gegoed kunnen worden beschouwd, terwijl al de overigen tot den mingegoeden stand zijn behorende, en mogelijk weinig of niet tot de kosten van hunnen Eeredienst, en verzorging hunner behoeftigen kunnen bijdragen.
Dat voor zoo verre wij zijn geinformeerd, hebben de rekwestranten tot hunnen Leeraar beroepen, een zeker persoon, wonende te Vriesenveen, welke het bedrijf van kleedermaker uitoefent, en zich in eenige weken tijds heeft bekwaam gemaakt, voor deze zijne gewigtige betrekking.
Dat alle rekwestranten bij ons bekend zijn, als lieden, staande ter goeder naam en faam, en daar het niet te voorzien is, dat zij tot het genootschap waarvan zij zich hebben afgescheiden, zullen wederkeren, zoo nemen wij de vrijheid Uwe Excellentie te verzoeken het gedaan verzoek goedgunstig te ondersteunen.
De Burgemeester en Assessoren
van het Ambt Hardenberg.
Aan Z.E. den Heere Gouverneur
van de Provincie Overijssel.
___
2) Van 20-2-1841, 1e afd., nr. 739/597.
3) BESLUIT van den 9den januarij 1841, bevattende nadere bepalingen omtrent hetgeen afgescheidenen van het Hervormd Kerkgenootschap hebben in acht te nemen, wanneer zij zich als eene Christelijke afgescheidene gemeente verlangen te vestigen.
Wij WILLEM II, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van OranjeNassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Op onderscheidene rapporten van Onzen Minister van Staat, belast met de Generale Directie voor de Zaken van de Hervormde Kerk enz., en van Onzen Minister van Justitie, op een aantal verzoeken van afgescheidenen van het Hervormd Kerkgenootschap, om erkenning en toelating als Christelijke afgescheidene gemeenten;
Den Raad van State gehoord;
Willende doen ophouden de klagten over de toepassing van het Koninklijk besluit van den 5den julij 1836 (Staatsblad no. 42);
Hebben goedgevonden en verstaan, onder wijziging van § a van het tweede gedeelte van opgemeld besluit, en bij interpretatie van hetzelve, bij deze vast te stellen, dat afgescheidenen van het Hervormd Kerkgenootschap welke zich als eene Christelijke afgescheidene gemeente zouden verlangen te vestigen, zich aan Ons ter toelating en erkenning als zoo danig kunnen vervoegen, bij een schriftelijk en individueel onderteekend adres, vergezeld van de bijlagen hierna volgende:
a. De Reglementen en Kerkelijke organisatie der op te rigten gemeente.
b. Een certificaat van het hoofd van het Plaatselijk Bestuur hunner woonplaats, dat het gebouw, het bijzonder huis of eenig gedeelte van hetzelve, door de adressanten, hetzij in eigendom of wel in huur of gebruik verkregen, wat deszelfs ligging aangaat, geschikt is tot de uitoefening van hunne openbare Eeredienst, en dat uit het verlangde gebruik geen hinder voor andere Godsdienstige gezindheden, of stoornis der publieke orde en veiligheid te duchten is;
c. Eene verklaring, dat zij in de kosten van hunne Eeredienst, mitsgaders in de verzorging van hunne behoeftigen buiten bezwaar van het Rijk zullen voorzien; zullende echter deswege geene andere waarborg worden gevorderd; en
d. Gelijke verklaring dat zij nimmer eenige aanspraak zullen maken op de bezittingen, inkomsten en regten van het Hervormd Kerkgenootschap of van eenige andere Godsdienstige gezindheid, en aan de Wetten van den Staat zullen gehoorzamen.
Onze Minister van Staat belast met de Generale Directie voor de Zaken der Hervormde en andere Eerediensten zal zorg dragen voor de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandsche Zaken tot informatie en narigt, alsmede aan den Raad van State tot informatie, en hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's Gravenhage, den 9den Januarij 1841.
WILLEM.
De Minister van Staat, belast
met de Generale Directie voor
de Zaken der Hervormde en
andere Eerediensten,
VAN PALLANDT VAN KEPPEL.
Uitgegeven den elfden Januarij 1841.
___
4) f 1.95 registratie request.
f 1.60 zegel en schrijfkosten.
f 0.80 porto.
XVIII.
De erkenning en toelating als een Christelijke afgescheidene gemeente. (Vervolg .)
In de bovengenoemde kerkeraadsvergadering werden o. a. ook "Drie personen verkozen, n.l. E. Dunnewind, Gs. Schrotenboer en F. Moddejonge om te spreken met den Hervormden dominee Coldewey, wanneer de Wettelijke Afscheiding best of gelegenst geschiedde".
Het Notulenboek 2) van de Kerkeraad van de Hervormde Kerk te Heemse vermeldt aangaande deze gedenkwaardige gebeurtenis het volgende:
Vergadering gehouden d. 6d April 1841.
Al de leden tegenwoordig uitgenomen de Heer van Foreest van Heemse en A. Waterink beide door wettige redenen verhinderd.
Deze buitengewone vergadering was bijeengeroepen omdat de Separatisten hun verlangen te kennen hadden gegeven om zich formeel van de gevestigde Herv. Kerk aftescheiden.
Dien ten gevolge werd hun ter onderteekening voorgelegd eene verklaring van dezen inhoud.
"Wij ondergeteekenden verklaren bij dezen ons geheel vrijwillig van de gevestigde Hervormde Kerk aftescheiden en ten gevolge daarvan tevens afstand te doen van de regten en voorregten aan dat Kerkgenootschap verbonden."
Zij die deze verklaring onderteekend hebben zijn de navolgende:
G. Schrotenboer mede voor zijne kinderen.
M. Dunnewind mede voor zijne kinderen.
F. Moddejonge.
E. Kolkman mede voor zijne kinderen.
E. Dunnewind mede voor zijne kinderen.
H. Schrotenboer mede voor zijne kinderen.
D. Plasman mede voor zijne kinderen.
D. Veurink.
G. Zaalmink.
G. Veurink.
H. Doezeman.
J. Pullen.
J. Nijhuis.
G. J. Lamberink en kinderen.
H. Koerst.
G. J. Veurink en kind.
M. Schrotenboer en kinderen.
G. Welink.
A. Bekman.
J. Koers.
A. Amsink.
H. Koerts.
J. H. Bril.
H. Holleboom.
H. J. Welink.
Hs Welink.
H. Lammerink mede voor de kinderen.
J. Timmermans.
H. Timmerman mede voor de kinderen.
H. Hennenk.
H. Veurink mede voor de kinderen.
Gt Schrotenboer mede voor de kind.
H. Koers.
E. Veurink.
Ha Schuurman.
G. Heersmink.
J. Huisjes.
H. Tempelman wed. Nijhuis en kinderen.
Nadat dit was afgeloopen heeft de president de met gebed geopende vergadering met dankzegging gesloten.
(get.) S. H. COLDEWEIJ, pres.
(get.) J. VAN FOREEST VAN HEEMSE.
Eindelijk op 18 Juni 1841, juist 2 jaar na het inzenden van het 1e request, kwam het bericht binnen inzake het K. B. van 5 Juni 1841, nr. 235, houdende vergunning tot het bestaan binnen de gemeente Ambt-Hardenberg van een Christelijke afgescheidene Gemeente.
Het stuk luidt als volgt:
5 Junij 1841.
No. 235.
Wij Willem II, Bij de Gratie Gods Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.
Op het rapport van Onzen Minister van Staat, belast met de generale Directie voor de Zaken der Hervormde Kerk enz. van den 8 Mei 1841 No. 13, omtrent een adres van E. Kolkman c. s., inwoners van de gemeente Ambt Harrlenberg, verzoekende toelating tot het inrigten eener Christelijke afgescheiden gemeente.
Gezien het rapport van Onzen Minister van justitie van den 24 Mei 1841 No 2.
Den Raad van State gehoord (advies van den 1 junij 1841 No 13).
Gezien het Koninklijk Besluit van 5 Julij 1836 No 75 Litt. a tweede lid.
Gelet op Ons nader besluit van den 9 januarij 1841 No 23.
In aanmerking nemende, dat er geene redenen bestaan om hunne toelating te verhinderen, als hebben de zij een door hen individueel geteekend adres ingediend, overeenkomstig de bepalingen der grondwet op het inleveren van verzoekschriften.
terwijl zij
a. Tot reglement op het Kerkbestuur en de inrigting hunner gemeente hebhen aangenomen dat der bereids toegelatene Christelijke afgescheidene gemeente te Utrecht.
b. Aanwijzing hebben gedaan van het lokaal tot uitoefening der Eeredienst, ten aanzien waarvan is gebleken, dat het wat de ligging aangaat, daartoe geschikt is, en dat uit het verlangde gebruik geen hinder voor andere Godsdienstige gezindheden, of stoornis der publieke orde en veiligheid te duchten is.
c. de verklaring hebben afgelegd, dat zij in de kosten van hunne Eeredienst, mitsgaders in de verzorging van hunne behoeftigen buiten bezwaar van het Rijk zullen voorzien. - en
d. Gelijke verklaring hebben gedaan, dat zij nimmer eenige aanspraak zullen maken op de bezittingen, inkomsten en regten van het Hervormd Kerkgenootschap of van eenige andere Godsdienstige gezindheid, en aan de wetten van den Staat zullen gehoorzamen,
Hebben besloten en besluiten
Art. 1.
De verzochte toelating wordt aan de adressanten verleend, en mitsdien vergund, het bestaan binnen de gemeente Ambt Hardenberg, van eene Christelijke Afgescheidene gemeente, bestuurd volgens de bepalingen van het reglement der bereids toegelatene Christelijke afgescheidene gemeente te Utrecht.
Art. 2.
Deze gemeente zal hare Openbare Eeredienst uitoefenen in het gebouw staande en gelegen in het dorp Heemse, onder de gemeente Ambt Hardenberg, bekend onder No 1198 Sectie B.
Art. 3.
De gemeente van afgescheidene Christenen voornoemd is onderworpen aan alle wettelijke bepalingen en Gouvernements verordeningen, welke met betrekking tot alle andere Kerkgenootschappen, of Kerkelijke gemeenten in dit Rijk in het algemeen thans bestaan, of in het vervolg mogten worden vastgesteld.
Onze Minister van Staat voornoemd is belast met de uitvoering van dit besluit waarvan afschriften zullen worden gezonden aan Onzen Minister van Justitie en aan den Raad van State tot informatie.
's Gravenhage den 5 Junij 1841.
(get.) Willem.
Den Minister van Staat belast
met de Generale Directie voor
de Zaken der Herv. Kerk enz.
(get.) H. VAN ZUIJLEN VAN NIJEVEL T.
Voor overeenkomstig afschrift
De Secretaris en Adviseur bij
het Departement
(get.) JANSEN.
___
2) In Januari 1853 kwam wederom een verzoek in bij de Kerkeraad van de Hervormde Kerk te Heemse om een kerkeraadsvergadering te willen beleggen daar "een aantal leden van de Hervormde gemeente waren overgegaan tot de Christelijke afgescheidenen die dat ook wenschten te verklaren voor de kerkeraad teneinde van lasten ontslagen te worden". Als gevolg hiervan kwamen 51 briefjes binnen met handteekeningen uit Rheeze, Rheezerveen en Diffelen, waarvan de helft uit Rheeze.
Hierbij waren natuurlijk geen kinderen gerekend.
XIX.
Het beroepen van een eigen predikant (vervolg van art. XVI) (slot).
De eerste predikanten.
Het beroepingswerk had sinds het bedanken van ds. de Wit gerust, maar in Januari 1841 besloot de Kerkeraad "om eenige studerende personen bij ds. De Kok 2) te ontbieden om een derzelve na voorgaand vasten en bidden te beroepen". (Een vast- en biddag werd daartoe gehouden op 5 Februari.)
Op 6 Februari werd Hendrikus de Vries, student te Ommen en van beroep kleermaker te Vriezenveen, die aan het tal was toegevoegd, met algemeene stemmen door de gemeente beroepen.
Vervolgens werd overeengekomen om, wanneer de eerwaarde broeder Hs de Vries het beroep zou aannemen voor hem het kostgeld te Ommen te betalen. Het kasboek van 1841 spreekt nog van een 1/2 vet zwijn en een paar laarzen voor De Vries.
Broeder de Vries die achtereenvolgens ook een beroep van Vriezenveen had ontvangen, wilde gaarne deze beide beroepen aannemen. Hierin werd toegestemd onder het beding dat beide gemeenten vrijbleven in het beroepen van een eigen predikant. Op 26 October werd door een commissie uit de Kerkeraad van Vriezenveen met de Kerkeraad van Heemse een acte vastgesteld, waarin bepaald werd dat De Vries "verbindend leeraar te Vriezenveen zou zijn bij vergroting hunner gemeente of bij mogelijkheid van onderhouwd met eene evenredige bediening".
Wat het onderhoud van den gemeenschappelijken leeraar aangaat, nam Heemse voor haar rekening:
a. de lopende kostgelden te Ommen bij Ot Schepers te voldoen;
b. om de helft van een koebeest te voldoen;
c. om iedere week de helft eens Hollandschen Daalders te voldoen tot onderhouwd van vrouw de Vries;
d. om hier een liefde-collecte te doen in deze gemeente van rogge of geld na elks vermogen."
Op 14 December 1841 werd De Vries als beroepen predikant van Vriezenveen geëxamineerd door de Provinciale Kerkvergadering van Overijssel te Nieuw-Leuzen.
In een gemeenschappelijke Kerkeraadsvergadering van beide gemeenten bij Jansen te Sibculo 3) besloot men vervolgens dat Heemse het laatste kostgeld van ds. deVries te Ommen zou voldoen ad f 57.47, daar Vriezenveen andere onkosten voor haar rekening had genomen.
Het tractement van ds. de Vries werd vastgesteld op wekelijks f 3.- ten laste van Heemse en f 1.50 ten laste van Vriezenveen.
Verder zou Heemse moeten bijdragen door een liefdegave bij wijze van collecte aan koren of geld, de waarde van een 1/2 vet zwijn (= f 16.015) en de halve; kosten "van een jas en perpluim benodigt tot de wekelijksche reizen".
Met Kerstmis wordt in de Kerkeraadsnotulen gesproken van ds. de Vries. De bevestiging van De Vries heeft allicht spoedig na 14 December plaats gehad. Men besloot: "om eerst mogelijk een kamer toe te rusten tot een bekwaam verblijf voor de helft tijds alhier". (Zijn gezin bleef immers wonen te Vriezenveen.)
Spoedig volgden, zooals we in art. XI zagen, de moeilijkheden over het ambtsgewaad, welke echter op een vreedzame wijze werden opgelost. Ds. de Vries zou zich dus, zonder aan zijn eerbaarheid te kort te doen, op een behoorlijke wijze kunnen kleeden als een beschaafd burger en behoefde zich niet te laten toetakelen met het zoogenaamde "tekenkleed", n.l. met steekhoed, bef en mantel.
Verder verzocht men op de Kerkeraad aan ds. de Vries niet langer dan 2 uren te prediken; ,,'t welk door Ds. de Vries in dank aangenomen wordt; echter zegt zijn Eerwaarde dat de Gemeente dan ook op de bestemde tijd moet komen twelk niet gebeurd tot hiertoe."
(Waarschijnlijk zou ds. de Vries ook thans hetzelfde feit moeten vaststellen, want ten opzichte van dit kwaad heeft de tijd in Heemse nog geen verbetering gebracht.)
In 1846 werd het te laat komen ter Kerkeraadsvergadering bestraft met een boete van 10 cent.
Ook zijn opvolger, ds. van Leeuwen, hield zijn hoorders graag lang bezig. Hier op gewezen, verklaarde deze voor zijn geweten geen vrijheid te hebben om het korter te doen.
Na eenige tijd sprak men nog eens over de klacht in de gemeente en onder de opzieners inzake het lange prediken. 4) Ds. van Leeuwen verklaarde hierover niets meer te hooren. Hierop antwoordde men hem: "dat de gemeente hopeloos zwijgt met te denken: het baat toch niets !"
Ds. de Vries heeft niet lang de leiding gehad van twee zoo ver uit elkander liggende gemeenten.
Reeds in Februari 5) 1842 verklaarde hij aan de Kerkeraad zijn dienst niet langer zoo te kunnen waarnemen. Hierdoor was de gemeente opnieuw zonder bediening.
Men trachtte nu spoedig weer een predikant te krijgen.
Een gedeelte van de gemeente wilde een van de studenten van ds. de Cock uit Groningen. De Kerkeraad wilde het niet in deze richting zoeken daar die studenten zoo weinig studie hadden en in de gemeenten in die omgeving geen beroep ontvingen. Ds. van Raalte, die op de vergadering genoodigd was, stelde voor "om een zeer beroemd persoon uit Varseveld een (D.) Breukelaar te ontbieden". Men had bezwaar tegen de korte tijd der opleiding, maar men stelde vast om bij zijn overkomst tot de roeping over te gaan.
In Juli 6) evenwel werd na een voorafgaande dag van vasten en bidden een beroep uitgebracht op den "broeder kweekeling" A. H. Veenhuizen.
Velen hadden bezwaar hun stem uit te brengen, daar men onzeker was welk een gesteldheid der ziel men moest bezitten om een op Gods Woord gegronde stem te kunnen uitbrengen.
Men oordeelde dat "waar velen een verkeerde en ongewoonlijke Stand tot het uitbrengen van (hun) Stem verwachten, een verstandsrichting in goeden gemoede met een onbevlekte Conscientie ten grondslag behoorde te zijn".
In verband hiermede en van wege de onrust en verdeeldheid in de gemeente besloot men ds. van Raalte te raadplegen.
Op 14 Augustus nam Veenhuizen het beroep aan. 7)
Intusschen besloot men het huis van de gemeente te herstellen tot een pastorie en geschikt te maken "voor een leeraar naar de stand van een burger". Een som van f 1200.- werd daartoe opgenomen.
In het begin van het verblijf van Veenhuizen te Heemse kwamen er stemmen uit de Kerkeraad die bij hem aandrongen op een zachtere leiding van de catechisanten; evenwel meende hij dat zijn houding tegenover de jeugd noodig was om "een behoorlijke vrees te behouden onder hen". Algemeen ried men hem aan om met meer eenvoudigheid en naar de bevattelijkheid van onkundigen te spreken.
Broeder Veenhuizen nam in Februari 1844 het beroep naar Stadskanaal aan.
Daar Vriezenveen ds. de Vries niet wilde loslaten, werd vervolgens Willem van Leeuwen uit Ommen beroepen 8) met ruim 50 van de ruim 60 stemmen.
Hij was beroepen student van de gemeente Sommelsdijk en studeerde te Ommen bij ds. van Raaite. Sommelsdijk liet hem slechts noode los, daar ze practisch voor een voldongen feit stond.
Broeder van Leeuwen voelde zich nogal bezwaard door de minder gulle loslating van zijn gemeente en door de oneenigheid in de gemeente van Heemse. Maar de Kerkeraad oordeelde dat men deze zwakheden onder 's Heeren zegen wel zou te boven komen.
Hierop besloot de beroepene op Zondag 29 September e.v. van zijn aanneming mededeeling te doen, omdat hij alsdan voor de Kerk van Heemse hoopte op te treden.
Inmiddels verhuisde hij met ds. van Raalte en diens kweekelingen naar Arnhem.
Student van Leeuwen leidde vóór zijn vertrek gedurig de godsdienstoefeningen in Heemse, waarom men in Mei 1844 eenige onderhoudsgaven voor hem verzamelde.
Heemse werd, door het verplaatsen van de Theologische School te Ommen, "geheel van dienst beroofd", zoodat men vreesde dat hieruit kwade gevolgen zouden voortvloeien, evenals "b.v. Mozes' verblijf op de berg Israels afgoderij" ten gevolge had.
Ook verontrustte men zich over de "broederhaat onder de opzienders", die herinnerde aan de strijd in de gemeente van Corinthe over Apollos en Cefas.
Daarom drong men bij Van Raalte aan op verhaasting van het examen van student Van Leeuwen.
In Mei 1845 zou het examen binnenkort plaats hebben, terwijl we van Leeuwen in November als predikant aantreffen. Langzamerhand komt er onder de geregelde bearbeiding van ds. van Leeuwen en mede na het vertrek in November 1844 van ds. Chr. D. L. Bähler, predikant van de Hervormde Kerk van Heemse, naar IJlst, een terugkeer van onderscheidene personen die vroeger lid waren van de Afgescheidene Gemeente of de diensten voorheen geregeld bezochten, maar die later gedurig in "de Liberale Kerk" waren gezien.
Ook anderen wenschten zich bij de gemeente te voegen. Vervolgens werd de Kerkeraad uitgebreid. Voorts besloot men 8 lampen te koopen voor het houden van de godsdienstoefeningen op Donderdagavond in de kerk.
In Maart 1847 vertrok ds. v. Leeuwen naar Scharnegoutum. 9) In deze vacature werd weer voorzien door het beroep op ds. H. de Vries van Vriezenveen, l0) die geen vreemde was in de gemeente van Heemse, en zich nu na 5 jaren opnieuw aan de gemeente verbond. 11)
Vooral aan hem is het te danken, mede door zijn 18-jarig verblijf, dat de gemeente van Heemse tot rust is gekomen. Hij was een bezadigd persoon die de gevoeligheden in de gemeente wist te ontzien en leiding wist te geven. Ook bij de burgerij was hij geacht.
Hij overleed te Heemse 17 April 1865.
Hiermede ben ik gekomen aan 't einde van mijn artikelenreeks over de Afscheiding te Heemse e. o.
Juist een min of meer volledige verzameling van historische gegevens doet ons het rechte inzicht verkrijgen in een tijdperk van worsteling dat reeds te lang achter ons ligt dan dat wij, die als Christenen in een Luilekkerland leven, daar zonder meer de diepe beteekenis nog van zouden kunnen vatten.
Het maakt ons van nabij bekend met personen en toestanden van een eeuw geleden, met het verval van de Kerk, met de nood en en het gebed, met de zonden en het berouw, met de liefde voor 's Heeren zaak van doodgewone alledaagsche menschen, die om Gods wil met geweld werden verwijderd van de muren van de officieele Kerk, die zij prijsgaven om, het hun dierbare Evangelie van Gods genade te kunnen behouden,
een Kerk, waarvan de steenen romp nog slechts de plaats aanduidde, waar eens de "Kerk der Vaderen" had geleefd,
een Kerk, die een heldengraf was geworden, waarin men den doode zijn wapenrusting had meegegeven, de belijdenisschriften, die veelszins tot een doode letter waren geworden.
God heeft Zijn Kerk weer tot vernieuwde openbaring willen brengen.
De Afgescheiden gemeente van Heemse is wijd uitgegroeid en thans, 50 jaren na de Doleantie in Hardenberg en Heemse, telt men binnen de grenzen van het voormalige Schoutambt Hardenberg, dat kerkelijk tot de Kerken van Hardenberg en Heemse behoorde, de Gereformeerde Kerken van Heemse, Lutten aan de Dedemsvaart, Bergentheim, De Krim, Hardenberg, Gramsbergen, Mariënberg en Bruchterveld;
binnen afzienbare tijd behooren Kerken te worden geïnstitueerd of parochies gesticht te Rheezerveen, Sibculo, de Braamberg en in het oosten van de gemeente, terwijl men naburige gemeenten zou kunnen vereenigen en de nieuwe gemeente verdeelen in verschillende parochies.
Laten wij tenslotte bidden voor en streven naar de heling van de breuk in Gods Kerk, trouw blijvende aan de Belijdenis, het ware Erfgoed der Vaderen.
Gij hemel aard en zee! vermeldt Gods lof!
Laat al wat leeft Zijn trouwen goedheid prijzen!
Want God zal aan Zijn Zion hulp bewijzen,
En Juda's steên herbouwen uit het stof.
Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad;
God eeuwig hun Zijn volle gunst betoonen;
Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,
Zij, die Zijn naam beminnen, erflijk wonen.
Aanvulling. In verband met 't artikel XIV, dat handelt over "Bidden en vasten" maakt ds. G. Visée van Emlichheim mij opmerkzaam op het boekje dat tot titel draagt: "Opwekking uit Schotland tot het vereenigd gebed van den 8en tot den 17en October 1842 - opgedragen aan alle kinderen Gods over de geheele aarde verspreid".
Te Amsterdam bij Hoogkamer en Comp., 1842.
De "Opwekking" is ingeleid door H. P. Scholte, V. D. M. te Utrecht, en maakt gewag van soortgelijke bidstonden, reeds in 1841 gehouden.
___
2) Waarschijnlijk Hendrik de Cock te Groningen.
3) In December 1841. Het Jaarboek teekent aan bij ds. de Vries: Maart-Oct. 1841 te Heemse. Nauwkeurige lezing van de notulen toont ons dat eerst in Dec. van hem gesproken wordt als van ds. de Vries. Zooals blijkt uit de in art. XVI I aangehaalde brief van den burgemeester van 3 Mei 1841, was De Vries student te Ommen van Maart-Oct. 1841.
4) Dus ook onder de Afgescheidenen mat men de degelijkheid van een preek niet altijd zoozeer af naar de lengte als wel naar de inhoud.
5) 23 Februari 1842.
6) 29 Juli 1842.
7) Het Jaarboek (1936) noemt ten onrechte als maand van overkomst October 1842 (de eerste genotuleerde Kerkeraadsvergadering nadat hij zijn dienstwerk hier was begonnen).
De notulen spreken van beroepen leeraar of broeder.
Hij was dus beroepen om na z'n examen predikant te worden te Heemse, evenals Van Leeuwen te Sommelsdijk. Beiden gingen echter na voltooiïng van hun studiën naar een andere gemeente dan die, waarvan zij eerst het beroep hadden aangenomen.
Student Veen huizen verrichtte inmiddels allerlei dienstwerk te Heemse.
Het Jaarboek noemt in zijn Necrologie Heemse dan ook niet.
8) Juni 1844.
9) Scharnegoutum heeft ten onrechte in het Jaarboek staan: 4 Nov. 1846 (waarschijnlijk de datum van het beroep).
10) Het Jaarboek (1936) spreekt van "elders", terwijl ds. de Vries onder Vriezeneen van 1842-1847 in het geheel niet wordt genoemd. Toch heeft hij daar steeds gewoond.
11) In de "Opgaaf (Ligger) betreffende de geestelijken bij de onderscheidene Godsdienstige gezindheden in de gemeente Ambt-Hardenberg" wordt als datum van aankomst in de gemeente, uit Vriezenveen, genoemd 14 Mei 1847.
Allicht heeft hij toen of op Zondag 16 Mei d.a.v. zijn intrede gedaan in Heemse. Het Jaarboek (1936) noemt onder Heemse 2 Juni 1847 naar de eerste genotuleerde Kerkeraadsvergadering die hij leidde, wat dus ook onjuist is.
Historische Vereniging Hardenberg en omgeving, Voorstraat 34, 7772 AD,
Hardenberg terug | activiteiten | bronnen | links | stamboom | zoeken in... | nieuws | home |