Landverhuizers naar Noord-Amerika

negentiende-eeuwse emigranten uit Hardenberg          © Dinah Hesselink-Zweers


Tussen 1839 en 1899 emigreerden ruim 650 Hardenbergers naar Noord-Amerika. Wie waren deze mensen, wat hadden ze meegemaakt en waarom emigreerden zij?

Enkele jaren geleden kreeg ik bezoek van een Amerikaan. Zijn oudst bekende voorvader zou uit onze gemeente stammen. Deze voorvader van Harold Hardenberg had volgens hem, iets later dan de gouverneur Peter Stuyvesant, rond 1647 voet aan wal gezet in Nieuw-Amsterdam. We zijn er nog steeds niet achter of zijn voorvader uit ons Hardenberg, het Duitse Hardenberg, de streek Hardenberg bij Groningen of de buitenplaats Hardenberg in Gelderland kwam. Maar toch, iemand uit ons Hardenberg in die tijd naar het huidige New York in Amerika? Ik had wel gehoord van de Christelijk Afgescheidenen die samen met dominee Van Raalte naar Holland, Michigan waren gegaan, maar veel meer wist ik toen nog niet. Nu, na langdurig onderzoek in allerlei archieven, blijken er zoveel mensen uit Stad- en Ambt Hardenberg naar Noord-Amerika te zijn gegaan dat het teveel wordt om ze in dit artikel allemaal aan u voor te stellen.

Nog voor de Van Raalte-trek in 1846 (beschreven in Rondom den Herdenbergh 1986, nr.3), hadden al diverse families de oversteek gewaagd. Dit waren bijna allemaal Rooms-Katholieken die afkomstig waren uit het voormalige Münsterland. De eerste Hannoveranen kwamen omstreeks 1821 in Ambt-Hardenberg wonen. Hier kon men aan het werk als veenarbeider in de marke Lutten, waar later de Dedemsvaart gegraven zou worden. Deze import-Hardenbergers of zogenaamde Bovenlanders emigreerden vooral om een beter bestaan te vinden. Van enkelen weten we dat hun familieleden uit Pruisen, zonder tussenstop in Nederland, naar de Nieuwe-Wereld waren afgereisd.
  1. South-Dakota
  2. Minnesota
  3. Iowa
  4. Missouri
  5. Wisconsin
  6. Illinois
  7. Michigan
  8. Indiana
  9. 9 Ohio
  • a New York
  • b New Orleans

De magiër

Het gezin Schuurman vertrok in 1837 naar Amerika en keerde een jaar later weer terug naar Slagharen. Ze waren slechts op bezoek geweest, maar rond 1852 emigreerde deze familie definitief. Jan Herm Schuurman werd in 1787 geboren te Sögeln, Ambt Meppen, en was gehuwd met Catharina Aleida Manning. Kinderen van hen werden geboren in Rütenbrock gelegen tussen het Nederlandse Ter Apel en Haren in het koninkrijk Hannover.

Zoals velen in die tijd was ook Hermen de kunst van het schrijven niet machtig. Hij verdiende de kost als arbeider en landbouwer. Evenals zijn buren moest hij in 1836 als nachtwacht patrouilleren op de Belten te Slagharen in de marke Lutten. Ongeveer drie keer per maand werd hij ingeroosterd om samen met Joseph Kolker en Geert Veltrup 's nachts de ronde te doen. Van 's avonds tien tot 's morgens vijf uur moesten ze bij elke derde woning aankloppen en vragen: of als daar alles wel is...alle vreemdelingen, verdagte personen, vagebonden, deserteurs, dieven enz. zullen zij arresteren. Elke morgen diende één van hen rapport uit te brengen aan Jan Herm Krieger te Slagharen, die fungeerde als buurtmeester van dit gehucht.

Maar Hermen kon nog meer. Hij was met de helm geboren, oftewel hij had een heel bijzondere gave. Hij stond in Hardenberg en verre omstreken bekend als wonder- of toverdokter. Soms werd hij voor deze praktijken op het matje geroepen. In 1842 wilde de officier van justitie te Deventer iets meer te weten komen over de toverijen van Schuurman. Het bleek dat Hermen op 2 mei om elf uur 's avonds bij een vierjarig kind in Sibculo was geroepen. Het kindje heette Johannes Kampherbeek en leed aan ernstige stuipen. Hij was een zoontje van de aldaar gestationeerde commies Reindert en diens vrouw Margaretha van Dijken. Oma Kampherbeek, die in de stad woonde, was bij de kinderen op bezoek en kon mede getuigen over wat er in die bewuste lentenacht was gebeurd. Na binnenkomst was Schuurman meteen naar het kind toegegaan en had het jongetje, een patiëntje van dokter Van Riemsdijk, betast en bevoeld en gezegd dat de kleine Johannes betoverd was. Hierop had hij iets droogs, een soort poeder, uit een bij zich hebbend papiertje geschud. Nadat hij deze droge stof met water vloeibaar had gemaakt, bestreek hij met dit papje het gehele hoofd van het kind. Toen hij dit mengsel goed had ingewreven gaf hij de volgende instructies: Zorg ervoor dat het kind een open lijf behoudt. Maak hiervoor gebruik van zenuwbladen, zoete melk met broodsuiker en rauw spek. Het wonder geschiedde! De kleine Johannes was spoedig geheel hersteld.

Schuurman ontving voor zijn helende kunsten tien guldens. Later bleek echter dat hij niet om die beloning had gevraagd. Ook kon hij voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst niet in Deventer worden berecht. Commies Kampherbeek was inmiddels overgeplaatst naar het grenskantoor op de Bruinehaar en daar zou het mirakel zijn voorgevallen. Bruinehaar is een buurtschap in de gemeente Vriezenveen en behoorde zodoende onder het arrondissement van de rechtbank in Almelo.

Naar Illinois

In 1839 vertrokken de gezinnen Krieger, Rensing en Santel. Sommigen van hen woonden al ruim tien jaar op de Slagen in Lutten. Deze veenkolonie wordt sinds 1829 officieel met de naam Slagharen aangeduid. Oorspronkelijk kwamen deze landbouwers en veenarbeiders, evenals de meesten die hier waren neergestreken, uit Pruisen. Veel van hun familieleden en vroegere buren hadden hun heil gezocht in Drenthe. Zij stichtten daar de plaats Nieuw-Schoonebeek en later ook Erica, dat aanvankelijk Nieuw-Slagharen werd genoemd.

De drie gezinnen, een groep van circa 16 personen, vestigden zich uiteindelijk in Damiansville, Looking Glass Township, Clinton County, Illinois. In dit gebied streken later meerdere Rooms-Katholieken uit Slagharen neer. Ook de reeds genoemde Hermen Schuurman zien we hier terug. Misschien heeft hij tijdens zijn korte verblijf in 1838 al eens even in die omgeving rondgekeken? Damiansville ligt dicht bij de plaatsen New-Baden en Germantown. Aan deze namen kun je aflezen dat het voornamelijk de Pruisen waren die zich hier als eersten vestigden.

Bernard Heimann, de zoon uit het eerste huwelijk van de weduwe Santel, kocht in 1841 een stukje grond in St. Clair en twee jaar later in Washington. In 1845 deed hij zijn eerste grondaankoop in de naburige County, genaamd Clinton. Het land kostte destijds $1.25 per acre. Bernard kocht in totaal 220 acres en zijn halfbroer Johannes Hermannus Santel iets minder. Bernard overleed in 1852 tijdens de cholera-epidemie, ook Aziatische braakloop genoemd, die op dat moment al drie jaar lang dood en verderf had gezaaid

Op internet kun je veel vinden over de staat Illinois, zoals een plattegrond van 1892 met daarop veel bekende namen zoals: Wellen, Santel, Wolters, Imming, Heinmann (Heimann), Book (Bouck).

In Ambt-Hardenberg ontstonden voor de vijftiger jaren van de vorige eeuw de volgende gehuchten: Dedemsvaart, Kloosterhaar, Lutterveld, en Slagharen. In het Heemser-, Rheezer- en Collendoornerveen zetten ook velen hun tenten of plaggenhutten op. De bevolkingsaanwas in de veengebieden was enorm. Behalve uit Pruisen kwamen de nieuwe bewoners uit Drenthe en Friesland. Het ging in deze tijd heel erg slecht met de economie. Door misoogsten en ziekte onder het vee hadden vooral de allerarmsten het zwaar te verduren. De diaconieën van de Hervormde Kerk zaten met de handen in het haar. Wie moest er voor al deze arme lieden zorgen? Veel nieuwe inwoners waren ook nog Rooms Katholiek of Christelijk Afgescheiden. De armenzorg werd overgedragen aan het Bestuur van Ambt- en Stad Hardenberg. En al in 1837 droeg eerstgenoemde een groot gedeelte van het Rheezerveen over aan de naburige gemeente Avereest.

Door de verpaupering nam het aantal diefstallen en andere baldadigheden toe. In Dedemsvaart en vooral Slagharen was het slecht toeven. In hetzelfde jaar als de groep Afgescheidenen, die vanwege godsdienstige redenen emigreerden, vertrok nog een grote groep mensen uit Slagharen. Deze zochten allemaal een beter bestaan. Een jaar later, in 1847, zochten 43 personen hun toevlucht in Noord-Amerika.

Het sprookje

Onder de landverhuizers van 1847 bevond zich Helena Engel Schoo die ook onder de naam Engel Kloes bekend stond. Zij was de weduwe van Geert Hendrik Berendsen en afkomstig uit Lengerich, Ambt-Freren in het koninkrijk Hannover. Met vier kinderen bewoonde ze een nederige woning in Slagharen en verdiende de kost als arbeidster in het veen. Op een vroege morgen in juli van het jaar 1835 was Engel druk in de weer met het kruien van mest naar haar land. Buurvrouw Anna Veltrop-Snijders, die ook een stukje grond bij haar woning had, was op hetzelfde moment bezig spurrie te snijden. Opeens stopte ze hiermee en kwam naar Engel toegelopen. Engels hoenders hadden in Anna's vruchten gezeten en alles vernield en dat nam ze niet langer. Engel antwoordde dat ze toch ook niet alles in de gaten kon houden! Ze was echt niet van plan om op die kippen te passen. Het ene woord lokte het andere uit. Op zeker ogenblik liep de woordenstrijd zo hoog op dat het gekijf in de hele buurt te horen was. Het bleek dat Anna altijd wel wat te zeuren had en voortdurend over Engel en haar overleden man roddelde. Anna verkondigde aan iedereen die het maar horen wilde dat Berendsen, de al lang overleden echtgenoot van Engel, zich na zijn dood nog regelmatig liet zien; soms in de gedaante van een haas, maar ook als een zwarte hond! Hij had zich zelfs een keer in zijn eigen gedaante vertoond. Met zijn gewone daagse kledingstukken bekleed had de gestorvene zich op een zekere plaats in Slagharen opgehouden. Deze kwaadsprekerijen geloofde Engel niet en ze was die roddelpraat meer dan zat. Engel werd zo kwaad dat ze schreeuwde: mijn overleden man heeft in zijn leven niemand kwaad of onrecht aangedaan. Ze voegde er nog fijntjes aan toe dat haar man wel zoude rusten, als hebbende althans aan niemand te Lutten eenige aardappelen of koekettings ontstolen gehad. Zo, die kon vrouw Veltrop mooi in haar zak steken. Anna werd erg kwaad om deze verdachtmaking. Ze liet dit echt niet over haar kant gaan en, in overleg met haar man haalde ze de veldwachter erbij om hiervan proces-verbaal op te laten maken. Ze konden deze lasterlijke praat, als zouden zij dieven zijn, toch niet ongewroken laten? Er waren genoeg getuigen geweest die het bekvechten hadden gehoord, zoals Berend Meijer en Anna Sibella Harmsen de vrouw van Jan Dunhofft.

Het kwam Engel ter ore dat Herm Hendrik Einhaus meer zou weten over de spookverschijningen. Na enig zoeken vond ze hem in het schaapsschot van Jan Herm Moorman te Slagharen. Deze Einhaus was een buitenlands kleermaker en woonde op de Heseper-Twist. Na enig aandringen bekende hij dat hij Geert Berendsen niet had gekend en ook nooit had zien rondwandelen, in welke gedaante dan ook. De elfjarige schaapherder Geert Hendrik Prenger kon hiervan getuigen.

Toen Engel uiteindelijk bij de burgemeester op het matje werd geroepen zette ze eerst even recht dat ze niet Engel Kloes heette maar Leena Engel Schuh en 39 jaar oud was. En wat ze verkondigd had over de diefstal in Lutten, dat had ze alleen maar bij wijze van spreken gezegd; ze had ook geen namen genoemd. Ze had gedoeld op een sprookje of liedje over de diefstal in Lutten dat al sinds twee jaar in Slagharen van mond tot mond ging en wat heel vaak door de jongens werd gezongen. Enkele knapen hadden het zelfs gewaagd om dit liedje luidkeels voor Veltrops woning ten gehore te brengen. Engel had ook een paar mensen gevonden dat kon getuigen dat vrouw Veltrop altijd praatjes rondstrooide over het na zijn dood rondspoken van wijlen haar man.

Enkele dagen na de schermutseling met de buurvrouw had Engel bezoek gekregen van haar zoon Egbert Veltrop. Deze was vergezeld van zijn kameraad Einhaus, met wie Engel al in het schapenhok had gesproken. Er werden harde woorden gesproken. Ze legden Engel het vuur na aan de schenen door haar te verwijten dat zij had rondgestrooid dat de Veltrops de diefstal in Lutten hadden gepleegd. Ze scholden haar uit voor een slecht mens en voegden er aan toe dat zij, evenals haar man, na haar dood ook wel terug zou komen om te spoken. Toen Engel dit tegensprak riepen de jongens, zich op de borst slaand: Nu moet het woord eruit. Voor niets lopen de hazen niet uit uw huis!

En Einhaus kon zich nu opeens weer herinneren waar hij Engels man had gezien. Hij zou haar de plaats wel wijzen waar, ook aan hem, haar overleden man zich al spokende had vertoond.

Een huiveringwekkende reis

De halfbroers Johannes Klumper en Adolf Lohuis vertrokken naar Ohio om een behoorlijk bestaan op te bouwen. De jongemannen waren in Coevorden geboren. Nadat moeder Margaretha Plas was hertrouwd met Johannes Gerhardus Lohuis vestigde men zich aanvankelijk in Avereest en later aan de Dedemsvaart in de gemeente Ambt Hardenberg. Nadat vader Lohuis in juni 1852 was gestorven, trok hun pasgetrouwde broer Albertus met zijn vrouw bij hen in. Hij kon zo de zorg op zich nemen voor zijn moeder en zijn nog jonge zusje Femia. De Rooms-Katholieke broers waren arbeiders aan de Dedemsvaart. Jan was 34 jaar oud en had verkering met Maria Katharina Wesseling. Zijn halfbroer Adolf was 27 en ging om met Anna Helena Berg. Van Adolf weten we dat hij kort voor zijn vertrek huwde, maar of Jan hier ook is getrouwd, is niet helemaal duidelijk. Het staat wel vast dat ze met hun vrouwen naar Amerika vertrokken op het schip New-England. Op zondag 30 oktober 1853 zeilden ze uit Bremerhaven om nagenoeg twee maanden later bij Slaughterhouse Point in New Orleans, Louisiana voor anker te gaan.

Het werd een afgrijselijke tocht. Het schip vervoerde 465 passagiers, hoofzakelijk jongeren uit het Hannoverse, die 23 Amerikaanse dollars hadden neergeteld voor de overtocht. Uit een bewaard gebleven brief bleek dat ze pas de tweede dag voor het eerst een beetje voedsel kregen. Een van de opvarenden was August Dreseler, een 21-jarige schoenmaker op weg naar St. Louis. Deze schreef aan zijn ouders: We kregen ongeveer vier ons vlees, wat veel te weinig was. Vanaf de derde dag kregen we elke morgen om 10 uur een kopje koffie en 's middags tussen vier en vijf een beetje stamppot. Het was zo weinig dat we het amper konden weervinden. We kregen de eerste drie weken geen water te drinken, toch hadden we daar wel voor betaald. Er was een scheepstimmerman, een afschuwelijke vent met een hart van steen, die het eten moest uitdelen. In de laatste week hadden we 90 vaten water aan boord en toen een zieke vrouw die stervende was, hem vroeg om een slokje water, opende hij zijn broek met de bedoeling ... Ja, hij behandelde de mensen heel wreed. Welnu lieve ouders, dit is genoeg, ik zou boeken vol kunnen schrijven over de verschrikkelijke manier waarop we behandeld zijn. Ik kan jullie verzekeren dat van de 110 gestorven mensen op ons schip de meesten zijn bezweken door gebrek aan water. En nu lieve ouders moet ik jullie het droeve bericht meedelen dat mijn zuster Wijchen (Lewa Dreisser) ook is gestorven, op 12 november om halfnegen, na ontzettend te hebben geleden. Ze heeft Amerika nooit gezien, misschien wel tot haar eigen bestwil. Mevrouw Hagemann stierf op de vijftiende november en haar zoon op de 21ste, evenals Fritz Kulmann. Toen we in New Orleans arriveerden gingen we direct naar de German Society en dienden een klacht in tegen de kapitein en diens gehele bemanning. Ze werden allen meteen gearresteerd. De kapitein betaalde een grote borgsom, anders had hij ook direct naar de gevangenis gemoeten. Het schip werd in beslag genomen en zal waarschijnlijk worden verkocht. Ik wil niemand ontmoedigen om naar Amerika te gaan, maar evenmin zou ik iemand willen aanmoedigen.

Ook Carl Sieveking, een 20-jarige tabaksmaker schreef een brief met dezelfde strekking. Hij verhaalde ook van de karige hoeveelheid voedsel en drinken die ze tijdens de reis kregen. Volgens hem waren op de zestiende november al 65 mensen gestorven. Vervolgens schreef hij: We zeilden niet door het Kanaal maar rond Engeland. We zagen ook enkele enorme vissen, die wel 600 pond gewogen moeten hebben. Ook zeemeerminnen die op mensen leken en vliegende vissen en verschillende dieren die we niet kenden. Hij besloot zijn relaas met de opmerking dat men in Amerika veel geld kon verdienen. Een sterke man beurde daar wel $2.50. Daarbij sprak hij de wens uit dat niemand een reis zoals hij had meegemaakt zou hoeven ondervinden. Eerst acht weken op zee, met zo'n slechte behandeling, en daarna nog eens een reis van zeven weken op de Mississippi voordat hij in St. Louis was aangekomen.

In de krant The Daily Picayune, verscheen op 28 december het volgende bericht. Het schip New-England met aan het roer kapitein Orr, arriveerde deze morgen uit Bremerhaven met immigranten. Bij vertrek had ze 500 passagiers aan boord, maar verloor tijdens de reis 70 van hen door ziekte. Het is vastgesteld dat er nu geen enkel geval van ziekte aan boord is en dat het schip voor honderd procent schoon is.

Op woensdag 4 januari 1854 berichtte dezelfde krant over het proces dat 21 Duitse emigranten, onder aanvoering van Peter Kramme, aanspanden tegen kapitein Orr en de eigenaars van het schip New-England. Zij claimden voor hen zelf, hun vrouwen en kinderen $500 schadevergoeding voor elk. Ze vertelden dat ze geboekt hadden op bepaalde condities, zoals een zekere hoeveelheid vers water, brood en vlees. Het contract was volgens hen grof en barbaars geschonden. Ze hadden ontzettende honger en dorst geleden gedurende de reis. Hun gezondheid was daardoor hard achteruit gegaan.

In juni deed de rechter in Louisiana uitspraak. De aangeklaagden werden niet schuldig bevonden, wat hij in ongeveer 2800 woorden toelichtte. De kapitein en zijn bemanning hadden hun passagiers goed behandeld. Het achterhouden van water was op aanraden van de zegslieden van de opvarenden gebeurd. Zij zouden dan meer water tot hun beschikking hebben op het laatste gedeelte van hun reis in de tropen. De doden waren te wijten aan de cholera die al in de haven van Bremerhaven heerste. Veel landverhuizers zouden al ziek zijn geweest voordat zij zich hadden ingescheept. De eerste sterfgevallen hadden aan boord plaatsgevonden, nog voordat het schip de haven verliet. De bemanning had geconstateerd dat de meeste passagiers benedendeks bleven. Ze waren te bang om aan dek een frisse neus te gaan halen. Had men dit wel gedaan, dan zou de cholera minder snel om zich heen gegrepen hebben en waren vele levens gespaard.

De rechter kon zich vinden in het verhaal van de kapitein. Hij vond de eisen van de passagiers buitensporig. Uit de verhoren van de klagers was bovendien gebleken dat hun getuigenissen, evenals hun schadeclaims, vaak overdreven en gedramatiseerd waren. En ook dat de meesten het niet zo nauw met de waarheid namen. De klagers hadden wel erkend dat de kapitein erg vriendelijk voor hen was geweest en zijn menselijkheid was ook wel gebleken uit de verklaringen van andere opvarenden. De klacht van de Duitsers werd daarom ongegrond verklaard.

De halfbroers Klumper en Lohuis en hun vrouwen komen niet op de sterftelijsten van de New-England voor. Het is mij onbekend of ze werkelijk hun doel bereikt hebben om in Ohio een beter bestaan op te bouwen.

"Het Afscheid" (Antonia Volkmar, 1860)

De vete

Johan Hendrik Zwake werd in 1811 te Emlichheim geboren en woonde met zijn vrouw Margaretha Wester al twintig jaar op Slagharen. Hier zag in 1845 hun oudste zoon Johannes Gerhardus het levenslicht. Op deze familie was niets aan te merken tot er een gevecht plaats vond tussen vader Zwake en Jan Barends. Ze hadden al eens eerder bonje gehad. Barends had Zwake toen mishandeld en was hiervoor veroordeeld tot gevangenisstraf. Voordat deze in oktober 1863 zijn straf moest gaan uitzitten zocht hij Zwake op. Het is meer dan waarschijnlijk dat Barends ter plaatse waar de mishandeling en verwonding voorviel is gekomen met het doel om twist te zoeken, daar er sints lang eene veete tusschen Schwake en Barends bestond. Er werd geducht gevochten en niet alleen met de blote vuisten. Er werd met een stok geslagen en uit zelfverdediging greep Zwake een zeis. Zijn achttienjarige zoon Gerhardus kwam hem in het heetst van de strijd te hulp. Deze keer was Barends het slachtoffer. Hij werd zo erg toegetakeld dat dokter Koster uit Lutten er aan te pas moest komen om de wonden te hechten. Ook rijksveldwachter Pruisnier uit Stad Hardenberg ging weer eens op pad naar Slagharen. Volgens hem had het maar weinig gescheeld of Barends was doodgeslagen. De veldwachter had de stok echter niet kunnen vinden en ook geen bewijs van het feit dat Barends, al vluchtende, was geraakt door de zeis.

Wanneer men iemand mishandeld had en deze na 20 dagen nog niet was hersteld, werd de dader onherroepelijk achter slot en grendel gezet. Barends was na 18 dagen nog altijd niet genezen en het lag in de lijn der verwachting dat Barends alles zou aanwenden om Zwake in het cachot te krijgen.

Het jaar 1864 werd een veelbewogen jaar voor de Zwakes. Hoewel de burgemeester het wenselijk achtte dat een streng voorbeeld werd gesteld, diende hij toch een verzoek om gratie in voor vader en zoon. Het gratieverzoek van Jan Hendrik werd afgewezen, maar zijn oudste zoon Gerhardus ging gelukkig vrij uit. Een week later schonk zijn vrouw het leven aan een dochter maar stierf zelf enkele weken na de bevalling. Nadat moeder Margaretha was gestorven ging de jongste zoon, de 16-jarige Johannes Bernardus Lambertus de deur uit om te gaan dienen in Gramsbergen. Ook vader Jan Hendrik vertrok naar Deventer en werd van daar op transport gezet naar de gevangenis in Hoorn. Hier was hij gedetineerd van 16 juli 1864 tot 6 juni 1865. Gerhardus was negentien toen hij de zorg voor zijn zusjes kreeg. Vader was nog maar net weg toen de oudste, de 14-jarige Willemina stierf. En ook het pas geboren zusje Maria Gesina, dat hij had ondergebracht bij de familie Schwieters in Slagharen, stierf in oktober, slechts 238 dagen oud.

Na deze droeve gebeurtenissen vertrok Gerhardus naar Dalen. Hij nam waarschijnlijk zijn twee overgebleven zusjes Hendrika en Maria Aleida met zich mee. In mei 1865 keerden ze in Slagharen terug en kort daarna kwam vader, die zijn straf erop had zitten, weer thuis. De overgebleven Zwakes waren amper verenigd toen in juli de tienjarige Maria Aleida overleed.

Volgens het Bevolkingsregister vertrok Gerhardus op 4 september 1866 naar Dalen. In het op internet te raadplegen Gen-Lias vond ik dat hij in 1875 te Emmen met zijn vroegere buurmeisje Elisabeth Fünke trouwde. Vader Jan Hendrik Zwake heeft zich niet laten uitschrijven en is waarschijnlijk, eveneens in 1866, vertrokken naar Noord-Amerika. Omdat er in het krantenbericht sprake is van de familie Zwake is het aannemelijk dat ook de kinderen Johannes en Hendrika zijn meegegaan. In Hardenberg kom ik ze niet meer tegen.

Zwolsche Courant anno 1868: Voor acht jaar vertrokken?

De voortvluchtige magnetiseur

Christianus Johannes van der Scheer had zich in 1867 in Heemse gevestigd als apotheker. Hij kwam uit een gegoede familie en was in 1823 te Coevorden geboren. Voordat hij naar Heemse kwam was hij al diverse malen met justitie in aanraking geweest: hij is een zeer doldriftig mensch, tot alles in staat, en de gansche buurt is bevreesd dat hij den boedel in brand zal steken. Het was laat in de avond toen hij in januari 1866 zijn vrouw Hermanna Slingenberg en zijn kinderen mishandelde, waarna hij hen buiten de deur zette. Hierop greep hij een bijl en verbrijzelde bijna alle spullen van zijn vrouw. Wat er van over was liet hij bij zijn schoonmoeder bezorgen. Zijn vrouw vroeg echtscheiding aan. In de archieven wordt verhaald: terwijl hij de onder hem berustende goederen dagelijks voor een spotprijs onderhands verkoopt, ten einde aan geld te geraken, om zijn ongebonden leven voort te kunnen zetten; dat hij dagelijks en veelmalen 's nachts in opgewonden toestand bij de straat zwerft en lage sujetten tot gezelschapshouders heeft, zoodat hij teregt door een ieder wordt verafschuwd. Ook liet de apotheker rattenkruid op tafel liggen in een onafgesloten woning. Van zijn voormalige apotheek was trouwens de helft zoek en de rest slingert in de schromelijkste verwarring door elkaar. De inspecteur van het geneeskundig Staatsbedrijf te Zwolle werd hiervan op de hoogte gesteld.

Van der Scheer, men noemde hem Het Schandaal, deed niets anders dan het leven van zijn vrouw en haar familie zo zuur mogelijk maken. Hij dreigde zelfs eens notaris Slingenberg om het leven te brengen. Met dit verleden kwam Christianus op 15 juli 1867 zonder vrouw en kinderen in Heemse wonen. In het najaar wilde Van der Scheer, waarschijnlijk om ingrediënten voor zijn apotheek te halen, naar Pruisen reizen. Hiervoor had hij een buitenlands paspoort nodig en door de burgemeester werd zijn signalement opgetekend. De apotheker was 1 meter 76 lang, had een ovaal aangezicht, breed voorhoofd, blauwe ogen, gewone neus en mond, ronde kin en donkerbruin haar.

Van der Scheer woonde nog maar net in Ambt Hardenberg toen hij opnieuw in aanraking kwam met justitie, ditmaal kreeg hij te maken met de rechtbank in Deventer. Uit diverse processtukken blijkt dat hij in oktober 1868 werd veroordeeld wegens het bedrijven van magnetisme! De apotheker had deze geneeskunst uitgeoefend hoewel hij daartoe niet bevoegd was. Toch raadde de burgemeester de officier van justitie aan om Van der Scheer niet gevangen te zetten, daar veel van zijn patiënten bij het magnetisme heil vonden. Uit een latere verklaring blijkt dat Christianus aan lagerwal was geraakt. Hij had zelfs niet de middelen om zijn apotheek geheel volgens de wet in te richten en van de nodige ingrediënten te voorzien. Hiervoor werd hij ook weer veroordeeld. Een verzoek om gratie aan Zijne Majesteit Willem III werd niet gehonoreerd.

Waarschijnlijk werd de grond hem te heet onder de voeten. Nog in hetzelfde jaar werd een opsporingsbevel uitgevaardigd voor Christianus Johannes van der Scheer. Zijn apotheek had hij onbeheerd achtergelaten. De sleutel van zijn woonhuis, met daarin zijn apotheek en een openstaande vergiftkast, liet hij achter bij zijn buurman. Op scheepslijsten is de apotheker niet aangetroffen, wellicht is hij, met zijn verkregen paspoort voor Duitsland, via Hamburg of Bremen naar Noord-Amerika vertrokken. Volgens gegevens van de werkgroep genealogie te Coevorden is hij in mei 1878 in Chicago, Illinois gestorven.

Tijdens de volgende landbouwcrisis in de tachtiger jaren kwam de verhuizing weer goed op gang. Het hoogtepunt werd echter bereikt in 1892. In Amerika was grote behoefte aan landarbeiders en ook de familiebanden bleken een grote rol te spelen.

November 1999: Overzicht van de tegenwoordig bekende 661 landverhuizers.

Index op Achternaam ( jaar van vertrek )
Achtersmit (1881)
Alerink (1884)
Amsink (1846)
Asselage (1851)
Aufderhaar (1898)
Ballast (1882)
Batterink (1882)
Belt (1890)
Beltman (1882,83,92)
Benthem (1846)
Berendsen (1846,47)
van den Berg (1883)
Berg (1853)
Berghuis (1881)
Beuker (1893)
Blaauwkamp (1892)
Boerman (1882)
Bonselaar (1847)
Borggreve (1881)
Bos (1881)
Bosch (1892,93)
Bosken (1846)
Bossink (1882)
Bouck (1882)
Bouwhuis (1881)
Boven (1839)
Brand (1883)
Breukelman (1892,93)
Bril (1881)
ten Brinke (1892)
Brinker (1882)
Brümmer (1846)
Buitenhuis (1866)
Dall (1852)
Derks (1884)
Deters (1851)
Doezeman (1847)
Domine (1882)
Drenth (1892)
Dunnewind (1846)
Eilers (1889) Ekkel (1881)
Eppink (1892)
Eshuis (1892)
Euverman (1888)
Fokkert (1887)
Fuhne (1851)
Geertman (1882)
Geraets (1882)
Gritter (1883)
Groenink (1884)
Hagemeijer (1847,51)
Hannink (1892)
Havekotte (1892)
van der Heide (1883,93)
Heimann (1839)
Heimerik (1882)
Heitgerdes (1859)
Herms (1847)
Holleboom (1892)
Hubers (1846,92,93)
Huisjen (T1872-1880)
Huisjes (1892)
Huisken (1868)
Huisman (1892)
Jansen (1881)
Japin (1882)
Jonker (1884 88?)
Jutstra (1892,93)
Karman (1846)
Kars (1876,80)
Keus (1880?)
Kip (1868)
Kleinjans (1882)
Kleinlugtenbeld(1883?)
Klinge (1880,92)
Kluitenberg (1881)
Klumper (1853)
Koel (1882)
Kok (1846)
Kollen (1882)
Koopman (1882,85)
Kotterik (1847)
Kramer (1847)
Krieger (1839)
Krol (1882,85)
Kruis (1888)
Kruiskamp (1890)
Krul (1881)
Kuhl (1882)
Kuiper (1881,82,83)
Kurk (1882)
Lamberink (1893)
Lambers (1852)
Lampe (1872)
Lenters (1876)
Lohuis (1853)
Manning (1852?)
Mecklenfeld (1881)
Meijer (1865)
Meijerink (1892)
Melenberg (1882) Menken (1839, 48)
Middendorp (1881)
Mink (1882,92,93)
Muis (1892)
Mulder (1882)
Nies (1881,82)
Nieuwenhuis (1883)
Nijeboer (1892)
Nijzink (1883)
Odink (1876)
Oldemeijer (1846)
Ophof (T1872-1880)
Ossevoort (1882)
Over (1846)
Overweg (1874,80,92)
Pasman (T1881-1890)
Peek (1883)
Pen (1893)
Peters (1882)
Plasman (1846)
Pohlmann (1847,51)
Pool (1839)
Potgraver (1882)
Pranger (1892,93)
Prenger (1887)
Prins (1886)
Ramerman (1881)
Reinders (1893)
Rensing (1839,46)
Resink (1843)
Ridderman (1884)
Ringeling (1892)
Robbert (1893)
Rohe (1883)
Rolfes (1846)
Rolleman (1882)
Ruiter (1881)
Santel (1839)
Sassen (1890)
Schaper (1857)
van der Scheer (1869?)
Schepers (1846)
Schippers (1881)
Schoo (1847)
Schreur (1882,86,92)
Schrotenboer (1843,47,
81,82,83,92)
Schuurman (1847,52?)
Schutmaat (1881)
Schutte (1882)
Schuurhuis (1882)
Simon (1863)
Smant (1882)
Smeelink (1881)
Spalink (1881)
Spoelder (1884)
Stam (1882)
Stegeman (1846)
Stegink (1881)
Stout (1848)
Tabbert (1892)
Tangenberg (1872)
Tekkelenburg (1848)
Teunis (1846)
Tibbe (1882,83)
Tiebert (1892)
Timmerman (1882)
Timmermans (1893)
Toeten (1892)
Troost (1882)
Veddelers (1847)
Vedders (1884)
Veldkamp (1882,85)
Veldman (1882)
Veldstra (1883?)
Veltink (1881,92)
Veltrop (1891)
Veneman (1887,88?,92)
Veurink (1847,92,93)
Visscher (1882)
de Vries (1888?)
Vugteveen (1881)
Wellen (1846,83)
Wesseling (1853)
Wester (1839)
Westerhuis (1882)
Wieldraaijer (1881)
Wieten (1883)
ter Wijlen (1880,92)
Wilke (1848,51,57)
Wilkens (1847)
Willems (1881)
Wilps (1884)
Wind (1883)
Wolken (1846)
Wolters (1864,89)
Wubbeling (1866)
Zaalmink (1847)
Zurlienen (1847)
Zwake (1866?)
 

De familie Hannink

Jan Hendrik Meijerink was 70 jaar en woonde op de Esch van Stad Hardenberg met zijn vrouw Gerritdina Beltman en hun drie ongehuwde kinderen Herm, Gerrit Jan en Geertjen. De broers van vrouw Meijerink, genaamd Jan Hendrik en Evert Beltman woonden in 1892 al 10 jaar in Noord-Amerika. Waarschijnlijk hebben zij de familie overgehaald om de grote oversteek te maken. De Meijerinks vertrokken in dat jaar en ook de twee getrouwde dochters Aaltjen en Johanna met mannen en kinderen emigreerden. De grote lege verhuiskisten met het opschrift South-Dacota werden in Brucht bezorgd bij de families Hannink en Ringeling. Aaltjen moest alles inpakken voor haar echtgenoot Gerrit Hannink en haar vijf kleine kinderen. Johanna deed hetzelfde voor haar man en zes kinderen. De Hanninks hadden geen economische of godsdienstige redenen om te emigreren. Uitsluitend vanwege de familiebanden staken ze de oceaan over. Nu, na ruim honderd jaar, weet men nog dat iemand had gezegd: in Amerika is het zo goed, doar ligt de peerde in 't stroo!

Gerrit Hannink ging op 52-jarige leeftijd naar Amerika, maar hoe verging het zijn broer Hendrik? Na het overlijden van hun ouders had Gerrit samen met zijn twee jaar jongere broer Hendrik de boerderij overgenomen. Zij aan zij hadden ze, samen met hun gezinnen, op het erve Hannink geleefd en gewerkt. Door de emigratie van Gerrit leed Hendrik een dubbel verlies. Wat hem erg verdrietig stemde was dat hij zijn broer waarschijnlijk nooit terug zou zien. Maar wat het nog extra wrang maakte was het verlies van zijn geboortegrond. Het was voor Hendrik onmogelijk om zijn broers erfdeel helemaal over te nemen. Tot zijn grote spijt kon hij maar iets meer dan de helft van Gerrits bezittingen kopen. Het huis en enkele landerijen kreeg hij voor vijftienhonderd gulden in handen. De rest van het land uit het erve Hannink werd door Gerrit verkocht aan Gerrit Willem Uelderink voor ƒ 550,- en aan Jan Hendrik Herbers voor ƒ 750,-. Op 10 februari gingen deze vier landbouwers uit Brucht naar notaris Rambonnet in Gramsbergen om de overdrachtsakte te ondertekenen.

foto

Door de ruilverkaveling in de zestiger jaren verloor het Hannink, na ruim drie eeuwen, haar functie als boerenerf. De familie Hannink verhuisde in 1966 naar het dichtbij gelegen erve Uelderink.

Gerrit Hannink en Aaltjen Meijerink en hun kinderen Wibbigjen, Gerritdina, Egbert, Jan Hendrik en Evert vertrokken op 16 februari 1892 uit Brucht. Ze werden door zwager Gerrit Jan Waterink naar de tram in Heemse gebracht. Broer Hendrik Hannink was door het vertrek zo aangeslagen dat hij het niet aankon om hen uit te zwaaien. Na een maand vertraging, wegens quarantaine ten gevolge van de cholera, gingen zij op 7 maart in Amsterdam aan boord van het schip Rotterdam om naar Amerika te gaan.

Schip van de Holland-Amerika-Lijn: Rotterdam II (1886-1899), later bekend als de Edam III

Ze voeren niet alleen met Nederlanders, maar met mensen uit diverse Europese landen. Allemaal op weg naar een nieuw bestaan. Ze doorstonden een zware storm op de oceaan. Vele mensen waren zo ziek dat ze nauwelijks voor hun eigen zieke kinderen konden zorgen. Het jongste kindje Evert, nog geen twee jaar oud, overleed tijdens de barre overtocht. Moeder Aaltjen hield dit geheim omdat ze geen begrafenis op zee wilde. Waarschijnlijk ligt Evert begraven op Ellis Island.

 

Ellis Island en het Vrijheidsbeeld, gelegen in de Hudson rivier te New York. In het jaar 1892 zetten de Hanninks en bijna een half miljoen anderen hier voet aan wal.

In New York werden ze op een immigratie-trein gezet. Er werd hen verteld zoveel voedsel mee te nemen als nodig was voor de reis. De deuren van de trein werden gesloten en men mocht er niet uit totdat de eindbestemming was bereikt. Er was een man die toch meer eten ging halen en deze werd daardoor van zijn familie gescheiden. Uiteindelijk kwamen de Hanninks aan in Platte, South-Dakota. Wie hen daar opving is niet helemaal zeker, sommigen zeggen een agent en anderen hebben het over een ver familielid. In ieder geval moet Gerrit daar wat connecties hebben gehad, want hij stuurde $500 vooruit. Dit geld moet door iemand bij een bank in Platte zijn gedeponeerd. Maar of deze bank nu failliet ging of niet, het geld was spoorloos verdwenen. Het was een moeilijke start in deze nieuwe wereld, geen geld en ook was men de Engelse taal niet machtig. Gelukkig brachten zuster Mina Hannink en haar man Thijs Koes uitkomst door hen geld te lenen. De familie Hannink vestigde zich op een boerderij in de omgeving van Platte. Moeder Aaltje had als zwangere vrouw de oversteek gemaakt en beviel daar in september 1892 van een dochter, Evertje genoemd. Twee jaar later zag Thijs het levenslicht. Hij werd vernoemd naar de kinderloos gebleven oom Thijs Koes op de Nijstad in Brucht. Later verhuisde de familie Hannink naar New-Holland, Douglas, South-Dakota.

van links naar rechts:
Thijs 1894-1990, Jan Hendrik (John) 1887-1936, vader Gerrit 1840-1927, Wibbigjen (Winnie) 1880-1949, Evertje (Effie) 1892-1918, Egbert (Bert) 1885-1934?, moeder Aaltje (Alice) 1854-1927 en Gerritdina (Dena) 1882-1968.

Op 27-01-1915 schreef Harm Meijerink, de broer van Aaltje, een brief aan zijn oude vriend Hendrik Richterink te Brucht: Wij zijn door Gods goedheid allen goed gezondt. Het is in Platte op dat moment 20 graden onder nul, de lucht is helder dus voelt het niet zo koud aan. Het vee gaat geregeld des 's morgens weer naar de maïs-stokken; wij hebben nog niet veel hooi gevoederd. Wij moesten de paarden uit de maïs-stokken uit doen, daar zat dit jaar vergif in. Er zijn heel wat paarden gestorven voordat men er achter kwam wat de oorzaak was. Zelf hebben ze geen paarden verloren, maar hun buren waren minder gelukkig. De paarden brachten een goede prijs op omdat ze massaal werden opgekocht door Frankrijk. Die oorlog duurt nog maar voort. Elke dag leest Harm een krant, weliswaar in het Engels. Maar zij schreven toch wel dat de Duitschen goede kanonnen hadden. Het moet vreeslijk zijn zulk moorden als er gedaan wordt. Holland blijft er tot nog toe buiten en ik hoop ook dat u verschoont blijft. Hij verwacht dat Amerika niet in de oorlog betrokken zal worden, al kan men het in de handel wel merken. De graanprijzen gaan omhoog, de laatste twee jaren had men ook een schrale oogst. De tarwe bracht van 5 tot 10 bushel per acre op, maïs van 7 tot 20, dat is nog niet de helft van wat wij gewoon zijn. In Platte heerst een droog klimaat en heeft men vette grond die niet bemest hoeft te worden. Harm vroeg hoe het met de buren in de Boterhoek ging en informeerde naar J.H. Herbers en Frederik in Bergentheim. Hij was benieuwd of Zwier nog steeds dicht bij het kanaal woonde en hoe het met de oude buren ging. Harmsen, Grendelman, Schutte en aan de beek, er zal in die bijna 22 jaaren wel heel wat veranderd zijn. Het schijnt dat Pranger het vorig zomer nog bij zijn zwager Klaas Moes in Bruchterveld is geweest.(Harm Pranger was in 1888 getrouwd met Jantje Muis en in september 1892 naar Amerika vertrokken, evenals de rest van de familie Pranger). Door de oorlogsomstandigheden is Pranger niet lang gebleven. Harm heeft van hem gehoord dat Bruchterveld heel wat huizen rijker is geworden, bijna allemaal boerderijen. Hij had zelf ook graag mee willen komen, maar mijn oudste jongen is nog maar 16 jaar oud en ik was bang dat hij alles niet in orde kon houden, de tarwe was toen gauw rijp en het maïs schoon maken was ook nog niet klaar. Hij vertelde over zijn familie. Broer Gerrit Jan Meijerink woonde op een afstand van 2 uur, Hannink op 4 uur en Ringeling bijna 2 uur, maar wij kunnen iederen dag met elkaar praten over de Telefoon, die hebben wij hier allemaal in huis dat is een heel mooi ding, als wij graan of vee willen verkopen dan maar even de Telefoon en dan weet men hoe veel het waard is. Bijna ieder boer heeft hier een Automobiel. Zelf had Harm nog geen auto maar was wel van plan er één aan te schaffen. Voor 550 tot 2000 dollar kon je er een kopen. Harm dacht nog veel aan Brucht en zou graag bezoekers willen ontvangen. Ik verzeker u dat ik met u hier de rondte zal doen, en wij loopen ook niet. Hij deed de groeten aan Hendriks zuster Hendrika en hoopte de Richterinks nog eens in goede gezondheid te mogen ontmoeten. Harm besloot zijn brief met: Hannink en vrouw zijn nog goed gezond, vier van de oudsten zijn getrouwd, een jongen en een meisje zijn nog tehuis. Die oude lui hebben een best leven. Vrouw Ringling heeft het ook goed, Ringling zal u wel gehoord hebben is al eenige jaaren geleden overleden, daar gaan dit voorjaar nog twee van trouwen, dan blijft er nog een over, de jongste. Zij gaat nu stil leven. Broeder G.J. heeft het ook goed, hij heeft zelf nog geen land, hij huurt nog altijd, hij huurt een mooie groote boerderij daar is 480 acre land in die boerderij. Zijn oudste dochter is verleden week getrouwd met een Amerikaan, ik denk dat lijkt niet al te best. Hendrik mocht deze brief aan alle buren in de Boterhoek laten lezen en hij verwachtte dat deze oude buren zouden terugschrijven. Hij heeft ooit nog eens een brief van Langejans gehad; ik zal u mijn adres weer geven dan kunt ge niet zeggen ik zou hem wel schrijven maar ik weet zijn adres niet. U kunt het er net zoo op zetten als ik het schrijf. Zijt hartelijk van ons allen gegroet en handdruk in gedachten.

Uw Vriend Harm Meijerink en vrouw en zes kinderen. Mister Harm Meijerink, Platte, South-Dakota, U.S.A.

De Amerikanen

Beroepen in Roseland

Dominee Jan Robbert vertrok in 1893 uit Lutten. Hij was beroepen door de Christelijk Gereformeerde Gemeente in Roseland, Chicago, Illinois. Na bijna drie jaar predikant te zijn geweest in Lutten nam hij dit beroep aan. Jan was in 1857 geboren in Groß-Ringe, kerspel Emlichheim. Hij had theologie gestudeerd in Kampen. Nadat hij in 1885 was afgestudeerd trouwde hij met domineesdochter Jacoba Nicolasina Beuker. In hetzelfde jaar werd hij predikant in De Lier, Zuid-Holland. In 1891 kwam het gezin met vier kleine kinderen en een huishoudster in Lutten wonen. Hier werden Henderikus en Gesinus geboren. Op 15 september 1893 vertrok het predikantenechtpaar met twee dochters en vier zonen naar Noord-Amerika. In Roseland zouden nog vier zoons zijn geboren. Na acht jaar in Illinois aanvaardde Jan Robbert een benoeming in Michigan. In deze staat was hij in de volgende plaatsen predikant: Kalamazoo 1901-1908, Niekerk 1908-1911, Paterson IV en East Paris 1911-1914, Rusk 1916-1918.

In het boek van Harger & Lemmen is een artikel aan Jan Robbert gewijd. Hierin wordt verteld dat in de Eerste Wereldoorlog vijf van zijn zoons hun land als soldaten dienden. Dit, maar ook de vijandigheid ten opzichte van Duitsers die zich in die tijd in Noord-Amerika uitbreidde, veroorzaakte bij Robbert een zware depressie. Twee jaar lang zou hij zijn ambt niet uitoefenen. Toen hij in 1916 voor het eerst weer op de kansel stond, preekte hij naar de tekst in Hebreeën 11, vers 34. Door zijn ziekte was hij veel sterker geworden. Nog twee jaar mocht hij de blijde boodschap verkondigen. Jan Robbert ging in 1918 met emeritaat en verhuisde naar Holland, Michigan. Hier stierf hij vier jaar later op 65-jarige leeftijd.

advertentie 10-03-1906

In juni 1893 vertrok Jan Timmermans, landbouwer te Lutten met zijn derde vrouw Jennigje Hubers en vier kinderen. Hij kwam naar Hardenberg om afscheid te nemen van zijn oude moeder. Maar vertrok weer naar de Nieuwe Wereld.

Bronnen:
Gemeente Archief Hardenberg: Burgerlijke Stand, Bevolkingsregister, Vertrokken Personen, In- en uitgaande Stukken etc.
Studiezaal HistorieKamer Hardenberg: Sallands Volksblad
Rijksarchief Zwolle: Toegang 25, Toegang 122, Zwolsche Courant
Internet: Passagierslijsten, Census etc.
Literatuur: Auswanderung aus der Grafschaft Bentheim nach Nordamerika von Swenna Harger und Loren Lemmen.
Met dank aan Zwaantje Hannink-Bouwhuis en Erwin Wolbink.
Historische Vereniging Hardenberg en omgeving, Voorstraat 34, 7772 AD, Hardenberg
  tel.: 0523-265624    internet: www.historiekamer.nl     e-mail: info@historiekamer.nl
    openingstijden studiezaal: ma, di, do, vr. van 9.00 - 12.00 uur en op afspraak
terug | activiteiten | bronnen | links | stamboom | zoeken in... | nieuws | home | © Dinah