Rondom den Herdenbergh

Inhoud: 2000/03

  1. Van de redactie
  2. De Marechaussee te Hardenberg
  3. "Plat ni-js" ( J. Luisman-de Jonge )
  4. Gemeente Lutten ( W. Meijer )
  5. Clara Feyoena's huwelijk op 6 sept. 1750 ( K. Oosterkamp )
  6. Van eiermarkt en eierhandel ( K. Oosterkamp )
  7. Helenahoeve (huizen van naam) ( K. Oosterkamp )
  8. Bijnamen in Rheeze ( J. Hofsink )
 

De Marechaussee te Hardenberg        Erwin Wolbink

Foto's worden nog toegevoegd

De Marechausseekazerne

Een markant en historisch Hardenbergs gebouw is voor de toekomst bewaard gebleven. De oude kazerne, gelegen aan de Gramsbergerweg nr.4, stond er een aantal jaren verlaten en mistroostig bij. Eberhard Dijkhuis - van Aannemingsbedrijf Dijkhuis uit Hardenberg - kocht het pand en redde het van haar ondergang. Door de nieuwe eigenaar werd een grootse restauratie opgestart, de gehele dakconstructie werd vernieuwd en voorzien van nieuwe pannen. Tijdens de opknapbeurt kwamen oude enkel-steens muurtjes te voorschijn. Indertijd had men de stenen ter isolatie bedekt met een 20 centimeter dikke laag van jute en oude kranten, waarbij enkele jaargangen nog leesbaar waren en dateerden uit het midden van de vorige eeuw.

Geschiedenis van de Koninklijke Marechaussee in het kort

De Koninklijke Marechaussee kent een lange traditie die teruggaat tot 26 oktober 1814, toen de soeverein vorst Willem I, de latere koning Willem I, het besluit ondertekende tot oprichting van een Korps Marechaussee. Met de verandering van de term 'gendarmerie' in 'marechaussee' drukte hij een persoonlijk stempel op het besluit. De vorst besefte dat de benaming gendarmerie, na de Franse overheersing die tot in 1814 voortduurde, te zeer beladen was. In de tekst van het eerste artikel van het besluit kreeg de marechaussee een opdracht die ook heden ten dage nog in haar taken doorklinkt:

"Er zal worden opgericht een Korps Maréchaussée, bestemd om de orde te handhaven, de uitvoering der wetten te verzekeren en te waken voor de veiligheid der grenzen en grote wegen."

Het Korps werd belast met het verrichten van politiediensten voor de krijgsmacht, maar daarnaast fungeerde de marechaussee ook als een orgaan van de Rijkspolitie. Dit bleef zo het geval tot de mobilisatieperiode van 1914 - 1918, die een breekpunt in de geschiedenis van het Wapen betekende. De oprichting van het Korps Politietroepen in 1919, ingegeven door toenemende werkzaamheden voor de krijgsmacht, luidde een nieuwe ontwikkeling in, die later bestendigd werd met de integratie van het Korps Politietroepen in de vredesorganisatie van de krijgsmacht. Voor de marechaussee restte vrijwel uitsluitend de taak van Rijkspolitiekorps, een situatie die tot in 1940 zou voortduren. Op 5 juli van dat jaar verloor de marechaussee het predikaat 'Koninklijke', want op last van de bezetter ging het Wapen op in de burgerpolitie, waarmee het tevens zijn militaire status verloor. Voorts werden Rijksveldwacht en Gemeenteveldwacht opgeheven en ondergebracht bij de marechaussee, waardoor buiten de steden één Rijkspolitiekorps ontstond onder de naam marechaussee. Buiten Nederland bleef de naam Koninklijke Marechaussee evenwel voortbestaan. Zo'n tweehonderd marechaussees, afkomstig uit het zuiden des lands, wisten tijdens de bezetting naar Engeland te ontkomen. Daar werden zij onder andere belast met de beveiliging van de Koninklijke familie en vervulden zij politiediensten bij de Irenebrigade. Na de bevrijding in 1945 kreeg de Koninklijke Marechaussee weer de status van een militair politiekorps met militaire en civiele taken. Daarnaast handhaafde de regering één politiekorps op het platteland, het zogeheten Korps Rijkspolitie, dat de oude Rijksveldwacht en Gemeenteveldwacht bleef vervangen.

Marechaussee in Hardenberg

Tijdens de gemeenteraadsvergadering van 6 december 1889 deelde toenmalig burgemeester van Stad Hardenberg, Willem baron van Ittersum, mee dat hij een brief had ontvangen van de commandant van de Koninklijke Marechaussee. In diens schrijven werd gevraagd om mee te helpen bij het vinden van een kazerne voor het te stationeren detachement. De gemeenteraad was van mening dat het bouwen van een dergelijk pand een taak van de rijksoverheid was, maar wilde wel gratis grond beschikbaar stellen, eventueel aan een particulier. Een dag later berichtte de commandant van de 2e divisie uit Maastricht dat een detachement onderweg was naar Hardenberg, bestaande uit 1 brigadier, 3 marechaussees en 4 man paarden en dat deze op 10 december a.s. in Hardenberg zouden arriveren en daar post vatten. Antiekhandelaar en gemeenteraadslid Jakop Simon Bromet (1839-1901) nam het initiatief en schreef op nieuwjaarsdag 1890 een brief aan de raad waarin hij meedeelde een kazerne te willen bouwen en of de raad hem hiervoor de benodigde grond gratis wil afstaan. Hij had zijn oog laten vallen op een terrein gelegen achter de toenmalige marktplaats; een onaanzienlijke openliggende vlakte die door het plaatsen van de kazerne een zeer gunstige verbetering van de markt zal zijn en deze zal beschutten tegen wind. Toch schijnt de raad niet erg ingenomen te zijn geweest met Bromets voorstel; er wordt nadien met geen woord meer over gerept.

Het detachement marechaussee heeft waarschijnlijk vanaf 10 december 1889 onderdak gehad in een pand van Bromet dat gesitueerd was op de hoek van de Prutterij (Fortuinstraat) en de Braaksteeg (Sallandsestraat?). De Prutterij werd door de bewoners ook 'Kazernestraat' genoemd. Waarschijnlijk heeft het pand van Bromet tot 1 januari 1902 als zodanig dienst gedaan, op dat moment werd de nieuwe kazerne aan de Gramsbergerweg in gebruik genomen.

Kadastrale geschiedenis van de kazerne aan de Gramsbergerweg

Volgens de kadastrale atlas van 1832 was het perceel grond, waarop later de kazerne gebouwd zou worden, eigendom van bakker Jan Herman Wandscheer en echtgenote Gerritjen Kluvers uit Stad Hardenberg. De kadastrale aanduiding sectie A nummer 489 betrof een stukje bouwland van 8,60 are. Rond 1840 werd het perceel verkocht aan de Hardenbergse landbouwer Tijes Kremer (die in 1848 huwde met Everdina Bril). In 1881 werd het perceel middels een akte van scheiding (akte Deventer dl 304 nr. 95) toebedeeld aan hun zoon Gerrit Hendrik Kremer en schoondochter Gerridina Brinkman. Na hun beider overlijden erfden de drie kinderen en schoonzoon t.w. Hendrik Kremer, Hendrik Snijders, Thijes Kremer en Jan Hendrik Kremer, ieder voor ¼ gedeelte.

In 1892 werd het perceel verkocht (akte Deventer dl 389 nr. 12) aan de te Stad Hardenberg wonende deurwaarder Gerrit van Oorschot en diens vrouw Berendina Louisa Nijzink. Later woonden ze in Kampen, Arnhem, Amsterdam, Bilthoven en 's-Gravenhage. In 1893 lieten de Van Oorschots een huis op het perceel bouwen. Het echtpaar kreeg vier kinderen waarvan er twee op zeer jonge leeftijd stierven. Dochter Hendrika Maria en zoon Johannes Albertus Mathijs werden de latere erfgenamen. Zoon Johannes Albertus Mathijs werd later burgemeester van Hardenberg. Hendrika Maria van Oorschot was gehuwd met Herman Jan van Aalderen, hoofdingenieur bij de Nederlandse Spoorwegen. In 1901 veranderde het kadastrale nummer 489 in nummer 1741. In dat jaar is een gedeelte achter het woonhuis aangebouwd en is tevens een tweede verdieping aangebracht. Dit om te het pand geschikt te maken voor de huisvesting van de het Koninklijk Wapen der Marechaussee.

In 1918 vond wederom een boedelscheiding plaats (akte Deventer 625 nr. 92). De van Aalderen's hadden drie kinderen, namelijk: Wieldert (arts in Rotterdam), Gerrit (ambtenaar bij de PTT te 's-Gravenhage) en Herman Jan (student in Utrecht). In 1922 werd er weer een klein stukje achter het huis bijgebouwd. In 1953 is de volgende akte van scheiding opgemaakt (akte Deventer dl 988 nr. 136). Mr. Johannes Albertus Mathijs van Oorschot, oud-burgemeester, wonende te Heemse, en Hendrika Maria van Oorschot, weduwe van Herman Jan van Aalderen te Bilthoven, kregen ieder voor de helft het perceel A 1741 bestaande uit huis, schuur en tuin in eigendom.

In 1958 passeerde de volgende boedelscheiding (akte Deventer 1054 nr. 102). Hendrika Maria van Oorschot, weduwe van Herman Jan van Aalderen, verkreeg daarbij het perceel A 1741. Na haar overlijden in 1964 erfden haar drie genoemde kinderen het perceel met daarop de kazerne.

In 1965 werd de boedelscheiding tussen de drie erfgenamen voltrokken (akte Deventer of Zwolle dl 1669 nr. 42). Dr. Wieldert van Aalderen, internist te Leiden, verkreeg daarbij het perceel A 1741. In 1966 werd een klein stukje van het perceel verkocht, waarbij het kadastraal het nieuwe nummer A 4000 kreeg, ter grootte van 8.40 are. Na een hermeting in 1969 bleek hetzelfde perceel 8.55 are groot te zijn. Anno 2000 is het perceel gesplitst in drie percelen, A 5289, 5290 en 5291 resp. groot 2.90 are (huis en erf Gramsbergerweg 2), 5.55 are (bedrijfspand en erf Gramsbergerweg 4) en 5291 een perceeltje erf ter grootte van 10 ca. Deze drie percelen stonden tot 24 mei 2000 ten name van Gerrit Albert Muller aan de Gramsbergerweg 12. De nieuwe eigenaar werd vanaf dat moment, zoals gezegd, Eberhard Dijkhuis.

Huisvesting

Het pand aan de Gramsbergerweg nr. 4 is op 1 januari 1902 in gebruik genomen als marechausseekazerne. Voordien bestond het uit een gebouw van slechts één verdieping. Voordat het als kazerne kon gaan dienen werd er een verdieping bovenop gebouwd en aan de achterzijde een stukje bijgebouwd. Ondanks de ingrijpende verbouwing werd de fundering van het gebouw niet verzwaard, hetgeen in de loop der tijd aanzienlijke scheuren in de muren veroorzaakte. Dat het gebouw over het algemeen niet aan de eisen voldeed blijkt wel uit het volgende.

Opperwachtmeester J. v.d. Hoeven schreef op 18 november 1937 aan de kapitein/districts-commandant der koninklijke marechaussee te Zwolle dat de huur van de marechausseekazerne in Hardenberg op 30 juni 1940 volgens contract zou eindigen. Hij stelde voor om het pand daarna niet weer voor een nieuwe periode te huren, en wel om de volgende redenen:

- De woning van de opperwachtmeester-brigadecommandant, bestaand uit vier kamers met een keuken, is te klein voor een gezin groter dan vijf personen. In deze woning is geen w.c. Deze gelegenheid bevindt zich in een algemene dienstgang, naast de deur van een ongehuwde-verblijf en recht tegenover de deur van het brigadebureau.

- Het brigadebureau is zeer klein en daardoor is weinig bergruimte aanwezig. Bovendien is het bureau zeer hoorbaar. Gesprekken die alhier plaats hebben, kunnen door het personeel en overige gebruikers van de kazerne, gemakkelijk worden afgeluisterd.

- De bovenwoning in het hoofdgebouw, bewoond door een wachtmeester, is alleen toegankelijk door een algemene dienstgang en trap. In deze woning is ook geen w.c. aanwezig. Ook deze bevindt zich in een algemene dienstgang. Bedoelde woning is gelegen boven de woning van den opperwachtmeester-brigadecommandant en geluiden zijn wederkerig zeer hoorbaar. De verblijven der ongehuwden zijn zeer klein. De stookgelegenheid in deze kamers is zeer slecht en brandgevaar is niet denkbeeldig.

- De kelder, gelegen in het hoofdgebouw, is tot gemeenschappelijk gebruik der gehuwden.

- Het gebouw zelf vertoont tekenen van verval. De buitenmuren vertonen meerdere scheuren en tevens muurkanker. Het scheuren der muren heeft tot gevolg dat het behang der kamers, ondanks behoorlijke betengeling, steeds scheurt.

- De verblijven der gehuwden en ongehuwden in het hoofdgebouw, alsmede de toegang tot het brigadebureau, is slechts toegankelijk door een buitendeur.

- De stal is vochtig en zeer waarschijnlijk niet meer geschikt voor berging van paarden, wegens onvoldoende lucht en licht.

- De cellen bevinden zich buiten en zijn tegen de stal aangebouwd. Bij wintertijd zijn de cellen buitengewoon koud.

- De in 1926 aangebouwde woning, bewoond door den oudsten wachtmeester, is zeer vochtig en tevens voor een gezin van vier of vijf personen te klein.

Toch bleef het pand gewoon in functie als marechausseekazerne, wegens gebrek aan alternatieven. In 1939, kort voor het aanbreken van de Tweede Wereldoorlog, moest de grensbewaking verscherpt worden. Het aantal ongehuwde manschappen van de marechaussee werd daarom uitgebreid van twee naar vier. De kazerne bestond op dat moment uit een hoofdgebouw met aangebouwde woning. In het hoofdgebouw bevonden zich twee woningen voor gehuwden (boven en beneden) en drie kamers voor ongehuwden. Een aantal ongehuwde manschappen moest hierdoor een kamer delen. Deze toestand werd door de opperwachtmeester Den Besten als zeer ongewenst beoordeeld. De ruimte in de twee gehuwden-verblijven in het hoofdgebouw was echter zo beperkt dat ook daarvan niets afgestaan kon worden. In een brief aan de eerste luitenant districtscommandant der koninklijke marechaussee te Zwolle werd door hem melding gemaakt van deze onplezierige woontoestand.

Drie jaar later was deze situatie nog altijd onveranderd. De opvolger van Den Besten, opperwachtmeester Lok, schreef in zijn brief van 18 november 1942, dat er in Hardenberg op dat moment een vijftal, van joden afkomstige, woningen leeg stonden. Eén van die woningen lag pal naast de marechausseekazerne. Volgens Lok leende de woning zich bijzonder tot het onderbrengen van een gehuwde marechaussee. De eigenaar van deze woning was de jood Izaäk Frank, die op dat moment voortvluchtig was. Verder bevonden zich in de Voorstraat nog drie leegstaande winkelpanden annex woningen. Deze behoorden in eigendom toe aan de joden Aäron Frank, Mozes Leman en Simon Blein. Eerstgenoemde was voortvluchtig, terwijl de beide laatstgenoemden door de Duitsche Politie gearresteerd waren en overgebracht naar het kamp Westerbork. Het winkelpand van Frank leende zich voor het onderbrengen van het Afdelingsbureel en een gehuwde marechaussee, terwijl de verdere in het pand aanwezige kamers zouden kunnen worden benut voor het onderbrengen van de bij de 'Afdeling' ingedeelde ongehuwde manschappen der 'Prijsbeheersing'. De vijfde woning was gelegen aan de Verbindingsweg in Hardenberg en was geschikt voor het onderbrengen van een gehuwde marechaussee. Daar het hier echter een aan de gemeente in eigendom behorende woning betrof, zou deze waarschijnlijk wel voor het gemeentepersoneel gereserveerd blijven. Het in Hardenberg te vestigen Afdelingsbureel zou eventueel in de kazerne kunnen worden ondergebracht indien een gehuwde marechaussee uit de kazerne een buiten de kazerne gelegen woning zou kunnen betrekken.

Het personeel van de brigade Hardenberg bestond in 1942 uit de volgende 13 manschappen:

- opperwachtmeester D. Lok, brigadecommandant, gehuwd

- wachtmeester G.P. Middelkoop, waarnemend brigadecommandant, gehuwd

- wachtmeester P. van Engelenhoven, gestationeerd te Bergentheim, gehuwd

- wachtmeester J. Scholten, opsporingsambtenaar, gehuwd

- wachtmeester H. Schuring, postcommandant te De Krim, gehuwd

- wachtmeester J. Volkerink, postcommandant te Slagharen, gehuwd

- marechaussee J.B. Dijkman, post Slagharen, ongehuwd

- marechaussee J. Dijkstra, gedetacheerd te Blokzijl, ongehuwd

- marechaussee H. Hansma, post De Krim, ongehuwd

- marechaussee C.M. van Lith, ongehuwd

- marechaussee J. Potgiesser, ongehuwd

- marechaussee P.J. Remeijer, gedetacheerd te Urk, ongehuwd

- marechaussee A.M. Spanjer, gedetacheerd te Veenhuizen, ongehuwd

Het pand werd gehuurd, meestal voor aaneengesloten periodes van vijf jaar. Zo betaalde men in 1940 een huur van fl. 1500,- per jaar aan deurwaarder Gerrit van Oorschot. De in 1926 aangebouwde woning kostte slechts fl. 200,- per jaar, maar was alleen geschikt voor huisvesting van één gezin. In 1940 was het betrokken door het gezin van de hoofdwachtmeester van de Afdelingsstaf.

Op 1 januari 1958 werd de rijkspolitie (opvolger van de marechaussee) door het inwerking treden van de Politiewet vervangen door gemeentepolitie. De oude marechausseekazerne werd in die tijd nog altijd gehuurd. Ze betaalden echter - achttien jaar later - al fl. 2920,64 per jaar aan de erfgenamen van Gerrit van Oorschot. Vervolgens werd tot 1 mei 1962 gehuurd. Per die datum was de huur opgezegd bij de erven aangezien het nieuw gebouwde politiebureau aan het Stephanusplein in gebruik genomen kon worden.

Uit het marechaussee-archief

In de archieven van de marechaussee zijn allerlei verordeningen en richtlijnen bewaard gebleven die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog van hogerhand werden toegezonden. Enkele passages uit deze documenten met het stempel 'GEHEIM':

Verordening van de Commissaris-Generaal voor de Veiligheid, d.d. 30 april 1942: "In verband met de verplichting tot het aanbrengen van de kaarten met het opschrift "Voor Joden Verboden", heb ik de eer u te berichten dat van kerkelijke zijde ernstige bezwaren zijn geopperd tegen het aanbrengen van deze kaarten aan de lokalen, waarin verenigingen met kerkelijke grondslag plegen te vergaderen of bijeenkomsten te houden. Deze bezwaren zijn ter kennis gebracht van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung te Amsterdam, met het gevolg dat door deze instantie de oorspronkelijke opdracht in dier voege is gewijzigd, dat aan consistoriekamers en andere vergaderlokalen van kerkelijke gemeenten, alsmede aan vergaderlokalen van verenigingen met kerkelijke grondslag, de kaart niet meer behoeft te zijn aangebracht. Dankzij deze welwillendheid van Duitsche zijde, bepaal ik dan ook hierbij dat de kaarten, aangebracht aan bovengenoemde lokalen, van uwentwege kunnen worden verwijderd".

Verordening van de Luitenant-Kolonel der Marechaussee, d.d. 16 april 1942: "Ik doe u hierbij toekomen een lijst van met Joodsche arbeiders bezette of per 25 dezer te bezetten werkkampen, met per kamp de gegevens omtrent ligging, adres, telefoon, bezetting enz. Van de zijde van den Rijksdienst voor de Werkverruiming is mij het verzoek gedaan deze kampen te stellen onder bewaking van de brigadecommandanten der Marechaussee; het uitoefenen van dat toezicht kan zich beperken tot tenminste een bezoek per dag van een of twee manschappen aan elk kamp, gelegen in het Ambtsgebied der brigade. In het bijzonder ware aandacht te schenken aan overtreding van distributievoorschriften. Vele Joodsche tewerkgestelden kopen allerlei waren bij boeren en handelaren ter plaatse en verzenden deze naar hun woonplaats (A'dam). Op 25 april met Joden te bezetten werkkampen:

Naam kamp Kampbeheerder Marechausseepost Sterkte Telefoon

Arriën M. Metaal Ommen 96 146

Kloosterhaar G.J. Reusink Bergentheim 96 22

Balderhaar G. Ooms Bergentheim 96 17

de Vecht J. Bruinsma Dalfsen 192 329

Molengoot C. Abspoel Hardenberg 192 100

Verordening van de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Arnhem, d.d. 29 juni 1942: "Mij is gebleken dat nog herhaaldelijk aan pensions het bordje "Verboden Voor Joden" ontbreekt. Alle pensions - daaronder begrepen de particuliere huizen waar in de zomermaanden gasten in pension zijn - moeten van bedoelde kaarten zijn voorzien. Verder zij opgemerkt dat de Verordening over het optreden van Joden in het openbaar van 15 september 1941 zoo moet worden uitgelegd, dat het aan Joden verboden is, op openbare banken plaats te nemen, welke op straten en pleinen en langs wegen zijn opgesteld. Deze banken moeten geacht worden openbare inrichting te zijn, welke bestemd zijn de bevolking ontspanning te bieden. Volgens den instructie van den Commissaris-Generaal voor het veiligheidswezen, betreffende fietsen in joodsch bezit, d.d. 22 juni 1942, moesten alle tweewielige fietsen worden ingeleverd. Volgens deze verordening is het aan den jood verboden om te fietsen (met uitzondering van bakfietsen). De interpretatie om de fiets door het aanbrengen van een bagagedrager tot een transportvoertuig te willen maken is een zuiver joodsche uitlegging. De ingeleverde fietsen mogen onder geen beding worden teruggegeven. Mocht een jood op een fiets worden aangetroffen, dan moet hij dadelijk worden gearresteerd en de fiets in beslag worden genomen. Ook is het een jood verboden een paard te bestijgen of op de wagen zittende, te rijden. Het meerijden - het zogenaamde gebruik uit vriendelijkheid - is ook verboden. Voorzover een jood bij een ariër in betrekking is en met paard en wagen werken moet, moet hij het paard bij den teugel nemen en naast het paard lopen. Het is een jood verboden de woningen van ariërs te betreden. Voor het geval dat bijvoorbeeld bij arische ambachtslieden de woning en werkplaats (huisarbeid) in een vertrek zijn ondergebracht, moet de jood zijn dienstbetrekking onmiddellijk beëindigen. Alle joodsche slagerswinkels zijn inmiddels reeds geliquideerd of zijn in liquidatie. Daardoor is aan den jood in principe de uitoefening van het slagersberoep verboden. Indien nog een jood bij een arischen slager werkzaam zou zijn, moet deze zijn werk onmiddellijk beëindigen. De arische slager moet streng gewaarschuwd worden".

Interessante dagrapporten van de Hardenbergse Marechaussee

februari 1935: de roofmoord

Het marechaussee-archief begint in februari 1935 met een brief van de gemeenteveldwachter Theodoor H. Schuurman aan de burgemeester van Ambt-Hardenberg. Hierin maakt de veldwachter melding van de vermissing van de alleenwonende Johannes Franciscus van Os uit de buurtschap 'De Witman' in Slagharen. Sinds zondag 3 februari had niemand hem meer gezien. De laatste tijd was hij geestelijk in de war. Het was dan ook niet onmogelijk dat hem een ongeluk was overkomen. Johannes Franciscus (Frans) was op 31 december 1866 te Slagharen geboren, als zoon van Petrus Paulus van Os en Maria Gezina Bouck. De veldwachter gaf aan dat het ook mogelijk was dat er een misdrijf in het spel is. Het was algemeen bekend dat Van Os dikwijls veel geld bij zich droeg. In zijn woning was wel zijn portefeuille met enig geld, een tabaksdoos, pijp en rijwiel gevonden. Het signalement van Frans luidde: 1 meter 60 lang, smal en tenger, mager persoon, donker uiterlijk, grijzend haar en knevel, smal aangezicht, lang met ingevallen wangen, donkere ogen, vermoedelijk gekleed in een manchesterbroek en jas, grijze jekker, donker gestreepte of grijze pet, geel gekleurde of witte klompen. De laatste tijd had Van Os zich zonderling gedragen. Hij sprak althans tegen meerdere mensen over zijn geld, dat hij bijeen gespaard had. De man was een oud-militair die van zijn pensioentje kon leven en iets bijeen kon sparen door zijn zeer zuinige leefwijze.

Ruim een week later, op 12 februari rond 11 uur, werd het lijk van Frans door een zekere H. de Boer gevonden in een waterleiding, op een afstand van ongeveer 400 meter van zijn woning. Voorlopig werd geconstateerd dat hij een tweetal schotwonden in zijn hoofd had (de kogel is aan de achterzijde het hoofd binnengedrongen en heeft het via het voorhoofd weer verlaten), terwijl een koetouw om zijn onderlichaam was gebonden. De wonden waren waarschijnlijk veroorzaakt door een oud model trommelrevolver. Tevens vertoonde het lijk sporen van slagen met een stomp voorwerp (later bleek dit een in de hooiberg gevonden hamer - met bloedsporen - te zijn). De burgemeester, Herman Heinrich Weitkamp, die met behulp van de gemeenteveldwachter Cornelis Servaas Pisuisse het onderzoek leidde, nam het lijk in beslag en bracht het met een bestelauto over naar het ziekenhuis in Hardenberg. De schouw van het lijk had plaats door dokter Gouwe, die een hoofdwond alsmede een oogwond constateerde. Daags erna werd door dhr. Hulst uit Leiden in het bijzijn van de heer officier van justitie te Almelo, het sectie-onderzoek verricht. Uit de onderzoeken kon niet vastgesteld worden of moord dan wel zelfmoord had plaats gevonden. Na het onderzoek door dhr. Hulst is het lijk vrijgegeven en in een verzegelde kist in het baarhuisje op het R.K.-kerkhof opgebaard.

Een vermoedelijke dader werd al gauw gevonden. Naar aanleiding van een artikel over de moord in het Nieuwsblad van het Oosten reageerde ene G. Schuurhuis uit Enter die verklaarde dat J. Kollen uit Brucht vroeger regelmatig bij hem was komen aanlopen (toen men nog in Vroomshoop woonde). Hij had meerdere malen voorgesteld om mee te gaan naar een zekere Van Os, om hem van zijn duiten te beroven. Toen Schuurhuis hem erop attent maakte dat dat zo maar niet ging, zou Kollen gezegd hebben: 'als de oude het zo niet wil geven, heb ik nog wel een goede knakker-revolver. Naar aanleiding van deze tip werd G. Kollen gearresteerd en overgebracht naar de marechausseekazerne. De man ontkende maar stond alom ongunstig bekend en zou met behulp van een ander zeker tot een misdrijf in staat zijn.

De opperwachtmeester Den Besten schreef op 5 maart aan notaris B.H. Kelder te Dedemsvaart dat hij bij huiszoeking de volgende munten had aangetroffen: 1 zakje inhoudende 87 rijksdaalders en 138 guldens; 1 zakje inhoudende 1107 kwartjes; 1 zakje inhoudende 1872 dubbeltjes en 1 zakje inhoudende 58 centen (4 2½-centstukken en 48 centen). De guldens waren grotendeels oud en niet meer in circulatie.

Twee dagen later schrijft opperwachtmeester Den Besten aan de officier van justitie dat hij een geschikte kracht aan het werk heeft voor het verzamelen van inlichtingen en dat hij het nog te vroeg acht om een beloning uit te loven in een dagblad. De aandacht was op dat moment gevestigd op een zekere Jan Ruinemans, een ongunstig bekend staand persoon te Slagharen. De persoon was voorheen zeer arm. Thans had hij zich nieuwe goederen gekocht en de laatste dagen werd hij meerdere malen in herbergen gezien.

Op 17 april scheen er nog geen schot in de zaak te zitten. De opperwachtmeester schreef toen aan de officier van justitie dat het uitloven van een beloning in de moordzaak te Slagharen het beste geplaatst kon worden in de Zwolsche Courant en de Vechtstreek van drukker R.I. de Bruin in Hardenberg. Deze bladen werden het meest in de omgeving gelezen. Na plaatsing van het artikel waarin een beloning werd uitgeloofd, werd in de krant melding gemaakt dat men algemeen van mening was dat het uitloven van een bedrag van 100 gulden weinig nut zou hebben. Letterlijk schrijft men: "Hier is een daad gepleegd, die toch zeer zeker ook in de oogen van de justitie een gruwelijke genoemd moet worden. Het was geen plotseling gepleegde gewelddaad, maar een daad, die volgens weloverwogen plannen moet zijn volvoerd, waarbij alles erop wijst, dat de oude Van Os op beestachtige wijze als het ware langzaam is afgeslacht. Onze plaatsgenooten zijn dan ook van oordeel, dat een heel wat hoogeren prijs gesteld diende te worden op het (de) hoofd(en) van de dader(s).

In augustus 1935 was de aandacht nog altijd gevestigd op Ruinemans. Verdere inlichtingen waren er niet en het resultaat was zeer gering.

27 november 1942: verlengstuk van de bezetter.

Johan Volkerink, wachtmeester Postcommandant der Marechaussee, wonende te Slagharen en behorend tot de Hardenbergse brigade, rapporteert dat hij op de 23e van die maand, samen met rijksrechercheur Hoekstra uit Arnhem, bij pluimveehouder Pieter Snoeier in Slagharen twee joden in diens woning heeft aangetroffen, namelijk de handelsreizigers Leonard Rosendaal en echtgenote Julia Frankenhuis. De joden zijn door hem en de gemeenteveldwachter Theodorus Hendrikus Schuurman aangehouden en overgebracht naar de kazerne in Hardenberg en aldaar ingesloten. De Sicherheidspolizei in Arnhem is nog diezelfde nacht telefonisch van deze aanhouding in kennis gesteld. Julia Frankenhuis bleek bij onderzoek in het bezit te zijn van een vals persoonsbewijs, afgegeven in de gemeente Loosdrecht aan en ten name staand van Mirjam Waterman, onderwijzeres, wonende aldaar. Dit persoonsbewijs was van de oorspronkelijke foto ontdaan en daarvoor in de plaats was een foto van Julia Frankenhuis aangebracht. Het gemeentestempel was met inkt op de nieuw aangebrachte foto bijgewerkt. Door middel van een schrijfmachine met lichtblauwe inkt was ook de naam van haar echtgenoot Leonard Rosendaal vermeld. Volgens haar verklaring was zij in het bezit gekomen van dit valse persoonsbewijs van een zekere Lodeweges, van beroep architect, wonende te Wierden en door wie ook dit persoonsbewijs was vervalst. Vorenbedoelde Lodeweges is reeds enkele weken geleden door de Rijksrecherche gearresteerd, alsmede een zekere Huisman, van beroep onderwijzer, wonende te Mariënberg. Door tussenkomst van Huisman zijn deze joden bij Snoeier ondergebracht. Bedoelde joden en eveneens Pieter Snoeier te wiens huize deze waren verborgen, zijn op den 25 november 1942 overgebracht naar de Sicherheitspolizei in Arnhem.

8 april 1943: het 'Achterhuis' in Hardenberg?

Briefje aan de heer onderluitenant/afdelingscommandant der marechaussee te Hardenberg: "Naar aanleiding van een gerucht, dat na het 'vrijwillig' vertrek van de joodsche familie Bromet, wonende te Hardenberg, nog een lid der familie als verstekeling in de woning was achtergebleven, hebben wij, Gerrit Jan van den Berg en Arie Johannes van 't Prinsenhof, wachtmeesters der marechaussee te Hardenberg, op last van den Groepscommandant, in de woning van den jood Bromet, welke geheel was verlaten en afgesloten, een onderzoek ingesteld en in een vaste kast, die van binnen was afgesloten, aangetroffen: Philippus Bromet, geboren te Hardenberg op 14 februari 1884, Nederlander, gescheiden, wonende te Stationsstraat nr. B/83 te Hardenberg. Toen Bromet ontdekt werd, zag hij nog kans om met een scheermesje in zijn pols te snijden, hetgeen hem echter niet is gelukt. Hevig bloedend is Bromet naar het ziekenhuis te Hardenberg gebracht, daar verbonden, en verder op last van de Sicherheitspolizei te Enschede, overgebracht naar Zwolle en opgesloten in het Huis van Bewaring. Het is aan te nemen dat Bromet van plan is zich van het leven te beroven".

27 april 1943: man(d) te water!

Opperwachtmeester Willem Sebel schreef het volgende rapport: "Hendrikus Johannes van der Linden, oud 35 jaar, bakker en wonende te Lutten aan de Dedemsvaart P/91, verklaarde: Op zaterdag den 17den april 1943 omstreeks 16.30 uur zat ik als bestuurder op mijn rijwiel en reed daarmede aan de zuidzijde van de Dedemsvaart te Lutten onder de gemeente Hardenberg. Voorop mijn rijwiel had ik een mand waarin zich bevonden 35 witte broden elk van 800 gram. Het rijwielpad waarover ik ter plaatse reed is zeer slecht. Vol gaten met mul zand zoodat het met een rijwiel zooals boven voormeld, erg moeilijk is te berijden. Doch moet ik rijden daar ik anders mijn klanten niet op tijd kan bedienen. Tevens stond er dien middag een zeer sterke oostenwind en daar ik in oostelijken richting reed had ik wind tegen. Ik kan niet verklaren hoe het nu precies gegaan is, maar op gegeven moment raakte ik de macht over het stuur kwijt en rolde met rijwiel en al in de Dedemsvaart. De mand vloog open en al de 35 broden geraakten ook te water. Het water in de Dedemsvaart wordt weer sterk verontreinigd door afvalwater van de aardappelmeelfabrieken. Ik kon zelf wel uit de vaart komen doch mijn rijwiel en het brood heb ik uit de vaart gehaald met behulp van Broekroelofs, mijn buurman. Het brood was geheel doorweekt en totaal ongeschikt geworden voor consumptie. Voor mij is de financiële schadepost van fl. 6,65 doch de grootste schade is de 35 x 8 rantsoenen brood in totaal dus 280 rantsoenen. Ik heb me gewend tot de distributiedienst van de gemeente Hardenberg om te trachten nieuwe toewijzing te verkrijgen voor 280 rantsoenen brood. Als voorwaarde werd hieraan gesteld dat terzake een politierapport moest worden opgemaakt en dat er van het brood, dat te water gelegen had, een monster moest worden opgezonden aan de Keuringsdienst van Waren te Enschede, teneinde de deugdelijkheid en bruikbaarheid daarvan vast te stellen". Hierna toonde Van der Linde mij een bak brood waarin 35 doorweekte broden lagen, totaal voor de consumptie ongeschikt. Het brood zag er vies uit.

11 februari 1945: beschieting van kamp 'Molengoot'

Brief van onderluitenant-groepscommandant P. Blok aan het afdelingshoofd der marechaussee te Hardenberg: "Hierbij heb ik de eer u beleefd het navolgende te rapporteren. Op den 10e februari 1945 te omstreeks 15.30 uur, is van uit vliegtuigen het evacuatiekamp "De Molengoot" te Heemse/Collendoorn binnen de gemeente Hardenberg beschoten, tengevolge waarvan 5 personen licht gewond zijn. Op dezelfde datum te omstreeks 16.00 uur werden enige aan het spoorwegstation te Hardenberg staande goederenwagons, benevens een tweetal in het Overijsselsch Kanaal onder de buurtschap Baalder liggende schepen beschoten. Deze beschieting heeft niet alleen materiele schade veroorzaakt, doch tevens werd hierdoor 1 persoon gedood, 1 zwaar en 2 licht gewond. Voorts is te omstreeks 21.00 uur een bom gevallen achter een der aan den Gramsbergerweg te Hardenberg staande woningen, welke is geëxplodeerd en een belangrijke glasschade aan woningen werd toegebracht, waaronder ook de Marechausseekazerne. Persoonlijke ongelukken kwamen daarbij evenwel gelukkig niet voor".

Bijzondere werkzaamheden

Het archief van de plaatselijke marechaussee bevat ook enkel zeer opmerkelijke documenten. Zoals u heeft kunnen lezen was men ook belast met het toezicht op het reilen en zeilen van de bewoners van het Kamp Molengoot. Dat hier zowel tijdens als vlak na de oorlog rare taferelen hebben afgespeeld, blijkt wel uit het volgende. Zo werd op 5 september 1943 een brief geschreven door de opperwachtmeester aan de Rijksdienst voor Werkverruiming in Den Haag. Het betrof het zedelijk gedrag van de 39-jarige Arend G., die als nachtwaker dienst deed op het evacuatiekamp "Molengoot" en die volgens Johanna den Dulk, geboren op 12 oktober 1913 te Scheveningen en destijds bewoonster van het kamp Molengoot, aanleiding had gegeven tot het plegen van ontuchtige handelingen met haar. Uit verschillende getuigenverklaringen bleek echter wel dat de beschuldiging niet terecht was. Leest u zelf maar:

Verklaring van Johanna den Dulk: "Ongeveer zes à zeven weken geleden kwam de nachtwaker A.G. bij mij aan mijn kamer. Daar het die dag heel erg warm was geweest had ik mijn ramen open staan. G. begon een praatje over het weer waarop ik antwoordde dat het eigenlijk veel en veel te warm was om nu in die kamer te gaan slapen (het was 's avonds om een uur of elf) en zei tegen hem, ik denk dat ik maar in het bosch onder de bomen ga liggen slapen. Waarop G. antwoordde dat hij dan ook in het bosch zou wezen. Na nog wat gepraat te hebben vroeg G. aan mij of hij niet binnen mocht komen. Ik antwoordde hem dat dat niet ging omdat ik naar bed moest. Waarop G. aan mij vroeg of hij dan voor een stuk spek met mij mee naar bed mocht. Waaruit ik op maakte dat hij vleeschelijke gemeenschap met mij wou hebben. Hierop heb ik hem geantwoord dat ik wel een stuk spek wou hebben, maar niet op die manier. Waarna ik de ramen gesloten heb".

Verklaring van Matilda Johanna Hagenbeek, echtgenote van Hendrik Johannes Julies Schlahmilch, geboren op 19 november 1912 te Den Haag, wonende te evacuatiekamp Molengoot: "Verleden week kwam ik bij juffrouw Vis, even daarna kwam ook juffrouw Den dulk binnen en begon te vertellen dat de nachtwaker haar iets gevraagd had en dat wij maar uit moesten kijken want dat we zoo voor de bijl waren bij hem. Ik voor mij geloof niets van die praatjes want ik heb ook wel eens met den nachtwaker staan praten, maar er is volgens mij nog nooit een onvertogen woord over zijn lippen gekomen. Maar dat die juffrouw Den Dulk nu zoo zedelijk is als zij nu voor geeft te zijn, daar geloof ik niets van. Verleden week toen dat circus hier stond is zij met een boer uit geweest en die prat van haar is ook verre van zedelijk".

Verklaring van kampbeheer C. Abspoel (thans kampbeheerder van het Kamp Arriën te Ommen): "Ik kan u absoluut geen verkeerde inlichtingen geven van den nachtwaker Arend G., die ook tijdens de tijd dat ik kampbeheerder was in het kamp Molengoot, dient deed als nachtwaker. Ik heb hem altijd als een nette oppassende man bekeken. Van juffrouw Den Dulk kan ik dat juist niet zeggen. Zij is van uit Doesburg, waar zij eerst als evacuee was ondergebracht, wegens wangedrag op zedelijk gebied, overgeplaatst naar het kamp Molengoot. Ik heb haar echter tijdens haar tijd in het kamp nooit op heterdaad kunnen betrappen".

Verklaring van kampbeheerder van het evacuatiekamp Molengoot, den heer Spits: "U begrijpt wel dat ik in verband met het feit dat ik hier nog maar enige dagen ben geen oordeel kan vormen over al die menschen die ik hier onder mij heb. Wel heb ik gemerkt dat de tal die hier over het algemeen gesproken wordt op een heel laag peil staat. Woorden die eigenlijk te vuil zijn om uit te spreken zijn hier iets heel gewoons. De nachtwaker G. heb ik trouwens leren kennen als een heel net iemand. Ook bij hem thuis is het een nette indruk die je krijgt als je daar komt, ondanks zijn acht kinderen. Juffrouw Den Dulk daarentegen staat bij mij niet zo goed aangeschreven, ook al omreden de taal die voren bedoelde altijd uitbraakt".

Hierna laten de rapporteurs Gerrit Jan Bas en Egbert Lutjes in het kort nog hun mening volgen. Het kamp Molengoot staat wat zedelijk gebied betreft, zeer laag. De taal die daar gebezigd wordt is ver beneden alle peil, woorden als kamphoer en dergelijke zijn daar heel gewone uitdrukkingen om elkaar uit te schelden. Over Johanna den Dulk is onze mening, dat zij dat verhaaltje wat wij hierboven voor u weergegeven hebben, gelogen heeft. Door dergelijke verhalen trachten de dames daar zich populairetijd te verwerven. G., die een vader van acht kinderen is, heeft in tegendeel een heel gunstige indruk op ons gemaakt. Zijn nadeel is het dat er die bewusten avond geen getuigen aanwezig waren. Een avond van te voren is G. bij ons aan de Kazerne geweest om een klacht te doen wegens beleediging, maar ook al van wegen dat er geen getuigen aanwezig waren toen G. dat gesprek heeft gevoerd met Johanna den Dulk, is ons onderzoek wat dat betreft vast geloopen. Wel heeft G. die avond met Johanna staan praten, maar ontkent ten stelligste dat hij haar heeft gevraagd om voor een stuk spek mee naar bed te mogen".

Vlak na de oorlog werd het kamp Molengoot een opvangplaats voor minder-bedeelden en daklozen. In een brief van marechaussee Philippus Alexander van Mildert, behorend tot de koninklijke marechaussee te Hardenberg staat het volgende:

"In verband met een schrijven van de Voogdijraad te Almelo met verozek om naar de gezinsomstandigheden van het gezin Timmers een onderzoek te willen instellen heb ik marechaussee P.A. van Mildert gehoord: Jan Hendrik Spits, geboren te Amsterdam op 5 mei 1896, kampbeheerder van het evacuatiekamp "De Molengoot", die het navolgende verklaarde: Het is met het gezin van Timmers allertreurigst gesteld. Timmers is een persoon met veel praatjes, welke zoover ik weet nog weinig productief werk heeft verricht. De vrouw is een sloofje, een zielig persoontje, welke volgens mij niet in staat is om een gezin naar behooren te kunnen besturen en kinderen op te voeden. Daar de man het vertikt om te werken, gaat het gezin hard achteruit. Timmers was aan het werk gekomen bij de Nederlandse Heide Maatschappij te Hardenberg, doch blijft van het werk weg en gaat liever reizen naar Den Haag. Wat hij met zijn verdiende geld doet weet ik niet, maar het staat vast dat zijn vrouw het niet krijgt". Daarna is gehoord Johanna Andrea Eblë, geboren te Den Haag op 6 juli 1920, gehuwd met Wilm Timmers en gewoond hebbende te Korteboschstraat nr. 148 in Den Haag, thans verblijf houdende in het evacuatiekamp "De Molengoot". Zij verklaarde: "Ik ben op 4 januari 1939 gehuwd met Cornelis Johannes de Bruin. Uit dit huwelijk zijn geboren, Herminus de Bruin, oud 6 jaar en Leentje de Bruin, oud 5 jaar. Daar ik met de Bruin een echtscheidingsproces had loopen, waarvan de uitspraak nog niet was afgekomen, ben ik in dien tijd bevallen van een jongen, welk kind was verwekt door Wilm Timmers. Volgens de Wet moest dit kind de naam dragen van de Bruin, terwijl de vader is mijn man Timmers. Dit jongetje is genaamd Willem Johannes de Bruin, is ruim 2 jaar oud en heeft het gewicht van een kind van 1 jaar. Mijn eerste man, genaamd De Bruin, is op 12 mei 1945 overleden. Met mijn eerste man heb ik veel meegemaakt en in mijn huwelijk met Timmers bleek dit nog veel erger te worden, want ik werd, wanneer ik wat tegen hem terugzei, geslagen. Hij bezigde dan de woorden: "Ik ben niet tegen de zorgen opgewasschen" en ging dan daags hierop met het geld, dat hij had verdiend naar Den Haag en liet mij met de kinderen onverzorgd achter. Hij geeft mij den schuld, dat ik niet voor mijn kinderen deug, doch hoe moet ik mijn kindertjes verzorgen, terwijl hij te beroert is om geld te verdienen voor zijn gezin. Hij zoekt zijn vertier in de groote stad. Wat moet hij daar doen, terwijl hij zijn vrouw en kinderen onverzorgd achterlaat. Nu heeft hij weer een paar dagen gewerkt en is gisteren weer naar Den Haag vertrokken. Momenteel doet hij het niet meer, doch voorheen had hij de gewoonte om op zijn reizen, eieren of andere dingen mede te nemen naar de stad. Wij moesten maar zien om het leven te behouden". Volgens verklaring van den heer Spits, kampbeheerder, is het kamp Molengoot bestemd voor opname van a-sociale elementen. Het gezin Timmers moet worden beschouwd als te behooren tot genoemde categorie.

Bronnen:
Archief der Koninklijke Marechaussee Hardenberg
Gemeente-archief Hardenberg
Studiezaal HistorieKamer Hardenberg
'Zonder vrees en zonder blaam, 175 jaar Koninklijke Marechaussee'; J.A. de Jonge
'Rondom den Herdenbergh', 1984/2, W. Meijer

Met dank aan:
Herman Nijeboer: kadastrale informatie
Jan & Janny Woertel: ansichtkaarten en informatie
Casper Dijkhuis: foto's

Historische Vereniging Hardenberg en omgeving, Voorstraat 34, 7772 AD, Hardenberg
  tel.: 0523-265624    internet: www.historiekamer.nl     e-mail: info@historiekamer.nl
    openingstijden studiezaal: ma, di, do, vr. van 9.00 - 12.00 uur en op afspraak
terug | activiteiten | bronnen | links | stamboom | zoeken in... | nieuws | home | © Erwin